jonge en oude molaar

De paardenkies: gebouwd om te verdwijnen

Geschreven door Marnix Brandes · Paardentandarts · Techniek

Over reservekronen, slimme slijtage en waarom een paard in de natuur geen afspraak maakt bij de tandarts

Kijk eens naar de foto boven deze blog.

Daar liggen twee paardenkiezen naast elkaar. Rechts een lange kies van een jong paard, met nog een enorme voorraad verborgen tandmateriaal. Links de veel kortere kies van een ouder paard, nadat jarenlang kauwen en slijten hun werk hebben gedaan.

Het lijkt bijna alsof de linker kies ooit op zestig graden in de wasdroger is beland.

Maar nee: dit is precies hoe het systeem hoort te werken.

Een paardenkies is namelijk gebouwd om tijdens het leven langzaam te verdwijnen. Niet in één keer natuurlijk, want dan zou mijn vak wel héél overzichtelijk worden. Iedere dag verdwijnt er een minuscuul beetje. Tegelijkertijd komt er vanuit de kaak steeds een klein stukje tevoorschijn.

Het is een ingenieus samenspel van doorbraak en slijtage.

Een paardenkies groeit niet eindeloos door

Vaak wordt gezegd dat de tanden en kiezen van een paard blijven groeien. Dat is begrijpelijk, want het lijkt ook zo. Toch ligt het technisch iets anders.

Een paardenkies groeit niet onbeperkt door zoals een vingernagel. Een jong paard krijgt een lange kies mee waarvan een groot deel nog diep in de kaak verborgen zit. Dat noemen we de reservekroon.

Terwijl het kauwvlak boven in de mond afslijt, komt de kies vanuit de kaak steeds iets verder tevoorschijn. Gemiddeld gaat het om enkele millimeters per jaar. De precieze hoeveelheid verschilt per paard, per leeftijd, per kies en door de manier waarop het paard eet en maalt.

De kies maakt dus niet ieder jaar opnieuw een paar millimeter tand bij. Hij gebruikt langzaam de voorraad die hij al had.

Op de foto zie je dat verschil prachtig. De jonge kies rechts heeft nog een flinke reserve. De oude kies links heeft een groot gedeelte daarvan in de loop van het paardenleven opgebruikt.

Een paardenkies is daarmee eigenlijk een soort zandloper.

Alleen loopt er geen zand doorheen, maar hooi langs.

Waarom is een paardenkies zo lang?

Om dat te begrijpen, moeten we terug naar het paard zoals het van oorsprong is gebouwd.

Een paard is een planteneter én een prooidier. Het lichaam is ingericht om gedurende een groot deel van de dag kleine hoeveelheden vezelrijk voedsel te eten. Gras, stengels, kruiden, takjes en soms boomschors: geen kant-en-klare maaltijd die binnen tien minuten uit een voerbak verdwijnt.

Dat voedsel moet langdurig worden afgesneden en fijngemalen.

Daarnaast bevat natuurlijk voedsel schurende bestanddelen. Gras bevat bijvoorbeeld kleine silicadeeltjes en tijdens het grazen komt er soms wat zand of aarde mee naar binnen. Dat alles zorgt voor slijtage.

Een vrij levend paard is daarom vele uren per dag bezig met zoeken, lopen, plukken en malen. Dat past ook bij een prooidier. Acht uur lang ongestoord onder de wol kruipen is evolutionair gezien niet de handigste overlevingsstrategie.

De paardenkies is op dat voortdurende kauwen voorbereid: hij heeft een lange reservekroon en blijft langzaam verder doorbreken om de slijtage te compenseren.

Ontbijt, lunch en avondeten

Veel gehouden paarden leven tegenwoordig heel anders.

Ze krijgen ’s morgens hooi, later op de dag opnieuw hooi en ’s avonds nog een maaltijd. Misschien komt daar één of meerdere porties krachtvoer bij. Natuurlijk zijn er ook paarden die vrijwel onbeperkt ruwvoer of gras tot hun beschikking hebben, maar er zijn genoeg paarden die hun maaltijden in een beperkt aantal uren opeten.

Voor ons is zo’n voerschema lekker overzichtelijk.

Voor een paardenmond zijn drie maaltijden per dag echter een vrij moderne uitvinding.

Krachtvoer vraagt bovendien veel minder kauwbewegingen dan langstengelig ruwvoer. Het is sneller op en vraagt een andere maalbeweging. Wanneer een paard minder lang kauwt of zijn onderkaak minder ruim zijwaarts beweegt, verandert ook de manier waarop de kiezen slijten.

Dat betekent niet dat iedere paardenmond met een voerbak per definitie ontspoort. Wel kan er makkelijker een verschil ontstaan tussen de snelheid waarmee een kies doorbreekt en de manier waarop hij wordt afgesleten.

En juist daar begint het interessant te worden.

Waarom ontstaan er scherpe randen?

De bovenkaak van een paard is breder dan de onderkaak. De bovenste en onderste kiezen staan daardoor niet precies recht boven elkaar.

Tijdens het kauwen beweegt de onderkaak zijwaarts. De kiezen schuiven over elkaar en vermalen het voer tussen de kauwvlakken. Door de bouw van de kaken worden niet alle delen van de kies evenveel geraakt.

Daardoor ontstaan scherpe emaillepunten meestal aan de buitenzijde van de bovenkiezen, richting de wang, en aan de binnenzijde van de onderkiezen, richting de tong.

Dat is niet meteen een fout van de natuur. Een zekere structuur en scherpte horen bij een functionerend maaloppervlak. Een paardenkies moet tenslotte vezels kunnen verkleinen; hij is niet bedoeld om glad te zijn als een biljartbal.

Maar wanneer de punten te scherp worden, kunnen ze de wang of tong irriteren. Ook kunnen hoogteverschillen, haken en andere onevenwichtigheden de vrije maalbeweging beperken.

Daarom gaat een behandeling voor mij niet over het zo glad mogelijk maken van iedere kies. Het gaat om beoordelen wat functioneel is, wat het paard belemmert en wat werkelijk behandeld moet worden.

Want ook bij kiezen geldt: meer doen is niet automatisch beter.

Drie materialen in één kies

Een paardenkies bestaat uit verschillende harde tandweefsels: cement, dentine en emaille.

Die materialen hebben niet allemaal dezelfde hardheid. Emaille is het hardst. Dentine en cement slijten sneller. Doordat de verschillende lagen ongelijk afslijten, ontstaat een geribbeld kauwoppervlak.

Dat reliëf is geen slijtagefout. Het is juist de bedoeling.

De harde emailleplooien blijven iets hoger staan, terwijl het omliggende materiaal iets sneller wegslijt. Zo houdt de kies een effectief maaloppervlak waarmee taaie plantenvezels kunnen worden verkleind.

Eigenlijk houdt de kies zichzelf tijdens het gebruik scherp.

Een soort zelfonderhoudend maalwerktuig, maar dan zonder stekker, handleiding of storingslampje.

Al kan dat laatste soms best handig zijn.

Maar zit er dan geen zenuw in?

Jawel.

Binnen in een paardenkies bevindt zich levend weefsel: de tandpulp. Daarin lopen onder andere zenuwen en bloedvaten. Vanuit die pulp lopen verschillende pulphoorns omhoog richting het kauwvlak.

Dan ontstaat vanzelf een logische vraag.

Als een kies ieder jaar afslijt, wordt de pulp dan uiteindelijk niet blootgelegd?

Normaal gesproken niet.

Terwijl het kauwvlak langzaam dichter bij de pulp komt, maakt de kies van binnenuit secundair dentine aan. Dat vormt een beschermende laag tussen het slijtende oppervlak en het levende weefsel.

De pulp trekt zich dus niet simpelweg terug alsof hij denkt: oei, daar komt het kauwvlak aan. De kies bouwt van binnenuit steeds verder aan zijn eigen bescherming.

Terwijl er aan de buitenkant materiaal verdwijnt, wordt er aan de binnenkant verdediging opgebouwd.

Wat een fantastisch systeem.

Alsof het ervoor gemaakt is.

Premolaren, molaren en melkdoppen

Een volwassen paard heeft normaal gesproken in iedere kaakhelft zes wangskiezen: drie premolaren en daarachter drie molaren. In totaal zijn dat 24 wangskiezen.

De eerste drie wangskiezen hebben voorlopers uit het melkgebit. Wanneer de blijvende premolaren doorkomen, worden de melkkiezen als het ware omhooggeduwd. De restanten die loslaten noemen we melkdoppen.

De eerste melkdop wisselt gemiddeld rond de leeftijd van tweeënhalf jaar, de volgende rond drie jaar en de laatste rond ongeveer vier jaar. Dat zijn gemiddelden; een paardenmond houdt zich niet altijd keurig aan de kalender.

De drie achterste kiezen, de molaren, hebben geen melkdoppen. Die komen direct als blijvende kiezen door. De eerste verschijnt al rond het eerste levensjaar, de tweede rond twee jaar en de laatste meestal ergens rond drieënhalf tot vier jaar.

In de eerste levensjaren gebeurt er dus ontzettend veel in een paardenmond. Terwijl wij vooral zien dat een jong paard groter wordt, is achter zijn wangen een complete verbouwing gaande.

Zonder bouwtekening aan de staldeur en meestal ook zonder waarschuwing vooraf.

Waarom heeft een paard in de natuur geen tandarts?

Die vraag hoor ik regelmatig.

Vrij levende paarden krijgen geen jaarlijkse herinnering in hun agenda dat de paardentandarts binnenkort langskomt. Ze lopen, zoeken, plukken en malen een groot deel van de dag. Precies het leven waarvoor hun gebit oorspronkelijk is gebouwd.

Maar dat betekent niet dat ieder paard in de natuur automatisch een perfect gebit heeft.

Ook daar komen afwijkende slijtage, gebroken kiezen, ontstekingen en andere gebitsproblemen voor. Alleen staat daar niemand klaar om ze op tijd te ontdekken of te behandelen.

De natuur is indrukwekkend, maar niet altijd vriendelijk.

Onze gehouden paarden leven bovendien langer, krijgen ander voedsel en hoeven hun dag niet volledig te besteden aan het vinden en vermalen van schrale vegetatie. Dat heeft veel voordelen, maar het verandert ook de belasting en slijtage van het gebit.

Daarom is controle belangrijk. Ook wanneer je paard nog goed eet. Dat licht ik toe in Hij eet toch goed?.

Niet omdat iedere paardenmond voortdurend gecorrigeerd moet worden, maar omdat je wilt herkennen wanneer het natuurlijke systeem niet meer helemaal in balans werkt.

De voorraad raakt uiteindelijk op

De reservekroon van een paardenkies is groot, maar niet onbeperkt.

Bij een ouder paard is een steeds groter deel van de oorspronkelijke kies afgesleten. Het zichtbare deel van de kies wordt korter, het kauwoppervlak verandert en uiteindelijk blijft er steeds minder kies over om mee te malen.

Dat zie je terug op de foto.

Rechts ligt nog een indrukwekkende jonge kies met een lange reservekroon. Links zie je wat daarvan na jarenlang malen kan overblijven.

Dat vraagt om een andere manier van kijken en behandelen.

Bij een jonge paardenmond kijk ik naar wisselen, doorbraak, melkdoppen en de ontwikkeling van het gebit. Bij een oudere mond kijk ik onder andere naar de resterende kroon, het contact tussen de kiezen, de kauwmogelijkheden en wat een paard nog comfortabel kan verwerken.

Je kunt van een oude kies geen jonge kies meer maken.

En dat moet je ook niet willen.

Niet gladmaken, maar begrijpen

Een paardenkies is dus veel meer dan een hard blok in de kaak.

Het is een levend bouwwerk van cement, dentine, emaille, bloedvaten, zenuwen en een reservekroon. Hij is ontworpen om te slijten, zichzelf te beschermen en jarenlang vezels te vermalen.

Tijdens een controle kijk ik daarom niet alleen of er ergens een scherpe rand zit.

Ik kijk hoe de kiezen op elkaar aansluiten. Hoe het kauwvlak is gevormd. Of de onderkaak vrij naar links, rechts en voren kan bewegen. Of een hoogteverschil die beweging beperkt. Of de slijtage past bij de leeftijd en bij de rest van de mond.

En daarna bepaal ik wat nodig is.

Soms moet er iets worden gecorrigeerd. Soms juist maar heel weinig. En soms is kijken, voelen en besluiten om niets te behandelen de beste behandeling.

Want de natuur heeft een bijzonder knap systeem gebouwd.

Mijn werk is niet om dat systeem opnieuw uit te vinden, maar om het te helpen wanneer het uit balans raakt.

Een paardenkies is gemaakt om langzaam te verdwijnen.

Maar liefst wel in de juiste richting.

;