Bezoekers praten in een kantine voor een lezing over paardengebitten; op tafel staan een paardenschedel en een beamer.

Vroeger hadden we geen paardentandarts nodig

Geschreven door Marnix Brandes · Paardentandarts · Praktijk

Die zin hoor ik nog weleens. Ik snap hem ook wel. Als je al jaren op een bepaalde manier met paarden omgaat, voelt dat vertrouwd. Maar ik moet bij die uitspraak altijd denken aan een lezing die ik ooit gaf.

Mijn beamer was mee, net als een paardenschedel en een hele verzameling foto’s en filmpjes. Achter in de zaal zat een groepje mannen met de armen over elkaar. Je kent die blik misschien wel: vertel jij het maar eens.

Ik liep tijdens mijn verhaal de zaal door en bleef bij hen staan. Een van de mannen vertelde dat hij al veertig jaar paarden had. Een paardentandarts? Nog nooit nodig gehad.

Het werd even stil.

‘Maar als er nooit iemand goed in de mond heeft gekeken,’ vroeg ik, ‘hoe weet je dan dat het niet nodig was?’

Hij vond al die nieuwe specialisten maar onzin. Vroeger had je een hoefsmid en een dierenarts, zei hij. Daar kwamen ze prima mee uit. Vroeger was alles beter.

Vroeger was alles beter?

Met een hele lijst gebitsproblemen zou ik hem op dat moment niet bereiken. Dus ik gooide het over een andere boeg.

‘Vroeger mocht je op heel wat plekken roken,’ zei ik. ‘In het café, in de trein, zelfs in het vliegtuig. Als je dat nu in een vliegtuig probeert, mag je hopen dat ze je een parachute meegeven.’

Er werd gelachen. Hij ook.

‘Waarom doen we dat nu anders? Omdat we meer weten dan toen. En als je meer weet, ga je soms ook anders kijken.’

Dat geldt net zo goed voor paarden. Een paard kan gewoon blijven eten terwijl er in de mond toch iets zit dat aandacht verdient. Ongemak bij paarden is niet altijd meteen duidelijk te zien. Soms zie je andere kauwbewegingen of valt er voer uit de mond. Soms merk je als eigenaar bijna niets. Daarom kijk en voel ik zorgvuldig voordat ik besluit of een behandeling nodig is.

Ik zag zijn houding veranderen. We stonden niet meer tegenover elkaar; we hadden het samen over paarden. Ik zei dat ik blij was dat hij er was. Juist zulke vragen maken een lezing leuk.

Daarna kwamen de filmpjes en de schedel tevoorschijn. Er werd gelachen, meegedacht en volop gevraagd. De sfeer was omgeslagen. Het werd een van de gezelligste lezingen die ik heb gegeven.

De vraag na afloop

Toen iedereen naar huis ging, was ik mijn spullen aan het opruimen. In mijn ooghoek zag ik iemand aankomen: de man van achterin.

Hij aarzelde even. ‘Heb jij misschien een keer tijd om naar mijn paard te kijken?’

‘Natuurlijk.’

Ik weet niet of hij die avond over alles anders is gaan denken. Dat hoeft ook niet. Hij was nieuwsgierig geworden naar iets waar hij eerder geen reden voor zag.

Zo probeer ik zelf ook te blijven kijken. Bij de meeste paarden die ik behandel, lukt dat met tijd, rust en aandacht zonder sedatie. Ik kijk steeds naar het paard voor me en pas mijn aanpak daarop aan. Dat is voor mij heel gewoon, ook al klinkt het voor iemand anders misschien ongewoon.

Vroeger deden we dingen anders. En over een paar jaar weten we vast weer meer dan nu. Daarom blijf ik vragen stellen, leren en vooral goed kijken. Ook tijdens een behandeling kan ik nog veel leren van een eigenaar of ruiter. Die kent het paard in het dagelijks leven; ik kan op mijn beurt laten zien wat ik in de mond zie en uitleggen waarom ik iets wel of niet doe. Zo leren we van elkaar. En krijgt het paard de aandacht die het verdient, ook als het gewoon zijn hooi opeet.

;