Close-up van paardensnijtanden met kleine groefjes en inkepingen langs de randen van de bovenste snijtanden.
Een foto uit mijn praktijk: kleine sleufjes langs de snijtanden van een paard dat uit een slowfeeder eet.

Een slowfeeder moet het eten vertragen. Maar tegen welke prijs?

Geschreven door Marnix Brandes · Paardentandarts · Praktijk

Soms begint een gesprek over voeren gewoon in de paardenmond.

Ik kijk naar de snijtanden en zie kleine sleufjes. Kommetjes langs de rand. Soms behoorlijk diep. Dan kijk ik even om me heen. En jawel: in de hoek hangt een hooinet.

‘Kom eens kijken,’ zeg ik tegen de eigenaar. ‘Zie je die sleufjes?’

‘O, wat apart. Waar komt dat nou vandaan?’

Dan lopen we samen naar het net.

Je kwam voor een gebitscontrole. Voor je het weet staan we de inrichting van de eetkamer te bespreken.

Van de tanden naar het touw

Ik kom zulke beschadigingen regelmatig tegen in mijn praktijk. Bij sommige paarden zie ik ook hoe ze hun snijtanden langs het touw of kunststof schrapen wanneer ze hooi proberen te pakken.

Soms komt de dikte van het materiaal opvallend goed overeen met de sleufjes in de tanden. Je kunt het touw er bijna zo in leggen.

Dat vind ik een belangrijke aanwijzing. Dan wil ik weten hoe dit paard uit dit net eet, welk materiaal er wordt gebruikt en waar zijn tanden steeds tegenaan komen. Eén sleufje vertelt niet de hele geschiedenis van een tand, maar het geeft wel aanleiding om verder te kijken.

En als ik een paard telkens zie trekken en schrapen op dezelfde plek, neem ik die voerplek serieus mee.

Een gebit werkt tenslotte niet alleen tijdens mijn bezoek. Dat paard gebruikt het iedere dag, bij iedere hap.

Zijn lunch zit achter tralies

De gedachte achter een slowfeeder begrijp ik heel goed.

Je wilt dat je paard langer over zijn hooi doet. Minder verspilling. Niet een hele portie die in een mum van tijd verdwenen is, waarna hij je aankijkt alsof de bediening iets vergeten is.

Maar ik kijk vooral naar wat hij voor iedere hap moet doen.

Pakt hij rustig met zijn lippen wat sprietjes? Of staat hij te trekken, te rukken en met zijn snijtanden langs het materiaal te schrapen?

Bij heel kleine mazen zie ik soms paarden die behoorlijk moeten werken om bij hun hooi te komen. Ze trekken harder, draaien hun hoofd en proberen het opnieuw. Dat kan onrustig en gefrustreerd ogen.

Het eten ligt recht voor hun neus. Alleen zit de lunch achter tralies.

Langer eten kan een nuttig doel zijn. Maar ‘hij is er lekker lang mee bezig’ vertelt mij nog niet of hij er ook prettig van eet.

Hoe hard of schurend het touw of kunststof is, hoe vol en strak het net zit en hoe het paard ermee omgaat, maken verschil. Daarom beoordeel ik zachte netten, harde kunststofsystemen en metalen roosters afzonderlijk.

Ook bij een bak met een metalen rek erop kijk ik goed naar het contact met de snijtanden. Het hooi blijft misschien keurig liggen. Ik wil graag dat de tanden ook keurig blijven.

Het is geen giraffe

En dan hangt zo’n net soms ook nog hoog. Behoorlijk hoog.

Dan zeg ik weleens met een knipoog: ‘Het is geen giraffe, hè. Gras groeit niet aan bomen.’

Een paard graast met zijn hoofd laag. Hang je het ruwvoer hoog op, dan vraag je een andere eethouding. Daarom kijk ik naar zijn hoofd en hals, maar ook naar de manier waarop hij het hooi bemachtigt.

Moet hij telkens omhoog reiken? Zijn hoofd kantelen? Flink aan het net trekken om een hap los te krijgen?

Een paard hoeft bij het avondeten wat mij betreft geen nekstrekoefeningen te doen.

Laag voeren maakt overigens niet automatisch ieder gebit perfect. Daarvoor verschillen paardenmonden te veel. Maar een comfortabele voerhouding verdient aandacht. Net zoals de tanden waarmee hij zijn eten pakt en maalt.

Mijn eerste vraag: is dat net eigenlijk nodig?

Waarom hangt het er?

Om het eten te vertragen? Om minder hooi te verspillen? Omdat het paard op rantsoen staat? Of omdat we het op deze stal altijd zo doen?

Dat laatste hoor ik vaker. En ‘dat doen we altijd zo’ is een prima begin van een gesprek. Alleen nog niet het einde.

Op een eigen stal kun je soms vrij gemakkelijk iets aanpassen. Waar het kan, geef ik de voorkeur aan los ruwvoer op een schone, geschikte ondergrond. Laag, gemakkelijk bereikbaar en passend bij het paard.

Daarbij kijk je natuurlijk naar hygiëne, zandopname, verspilling en zijn voerplan. Een paard dat vanwege overgewicht of een aandoening een afgestemde hoeveelheid krijgt, geef je niet zomaar onbeperkt extra hooi.

Het gaat om een prettige manier om zijn passende portie op te nemen.

‘Maar bij ons op stal moet het in een net’

Dat snap ik ook.

Op een pensionstal worden netten soms vooraf gevuld en tijdens de volgende voerronde opgehangen. Zo is het georganiseerd. Dan kun je als eigenaar niet even de hele stalvoering omgooien omdat Marnix iets over een giraffe heeft gezegd.

Maar je kunt wel bespreken wat mogelijk is.

Ruimere mazen, zodat het paard gemakkelijker een hap kan pakken. Zachter en soepeler materiaal. Een andere geschikte voerbak. Of een deel van het ruwvoer los aanbieden, binnen het afgesproken voerplan.

Daarna kijk je opnieuw naar het paard. Eet hij rustiger? Hoeft hij minder te trekken? Zie je nog steeds dat schrapen met zijn tanden?

Een ander net kies je uiteindelijk voor het paard dat eruit moet eten. De verpakking heeft zelf geen snijtanden.

Ruimere mazen of een knooploos net geven geen garantie tegen beschadigingen. En lager hangen moet veilig kunnen: een hoef of hoefijzer mag niet in het net verstrikt raken, ook niet wanneer het leger wordt en verder doorzakt.

Dus niet zomaar het net naar beneden verplaatsen en denken: opgelost. Kijk naar het hele systeem én naar het paard.

Een vol net vertelt niet het hele verhaal

Als ik beschadigingen zie, betrek ik de eigenaar erbij. We kijken samen naar het gebit, naar de voerplek en naar wat we kunnen aanpassen.

Daar zit geen verwijt achter. Dat net is meestal juist gekocht met de beste bedoelingen. Minder verspilling, langer eten, goed zorgen voor je paard.

Alleen kunnen die tanden ons iets laten zien wat eerder niet opviel.

‘O,’ zegt een eigenaar dan. ‘Dan moet ik toch iets anders bedenken.’

En dát vind ik mooi. Samen iets ontdekken waar het paard wat aan heeft.

Ik ben kritisch op sommige slowfeeders. Die houding komt uit mijn praktijk: ik zie de tanden en wil weten wat er dagelijks bij die voerplek gebeurt.

Dus kijk eens mee tijdens een maaltijd. Naar zijn lippen, zijn snijtanden, zijn hoofd en hals. Kan hij rustig eten, of is iedere hap een kleine worstelpartij?

Ik kijk niet alleen hoe lang het hooi meegaat. Ik kijk vooral hoe het paard erbij kan.

Want een maaltijd mag best een tijdje duren.

Maar iedere hap hoeft geen touwtrekwedstrijd te worden.

;