Afbeelding van WhatsApp op 2024 11 17 om 13.40.45 3fe8be41

Mijn zintuigen: wat ik zie vóór ik behandel

Voordat ik ook maar één instrument in mijn hand heb, begint mijn werk al. Niet in de mond, maar in het contact. In de eerste minuten. In wat een paard laat zien nog vóórdat ik iets vraag. Veel mensen denken bij een behandeling aan het vijlen zelf. Aan techniek. Aan“even de kiezen bijwerken”. Maar voor mij is dat pas het tweede deel. De basis ligt in het moment ervoor: het observeren, het voelen, het luisteren. Dáár ontstaat de behandeling die echt past bij dit paard. Ik gebruik mijn zintuigen niet als extraatje. Ik gebruik ze als gereedschap.

Zien – het verhaal dat een paard vertelt zonder woorden

Ik kijk als eerste naar hoe een paard erbij staat wanneer ik binnenkom. Niet dramatisch, niet groot, maar in kleine details: hoe draagt hij zijn hoofd? Is de hals zacht of strak? Staat hij gelijk op vier benen of“hangt”hij op één zijde? Verplaatst hij zijn gewicht wanneer ik dichterbij kom, of bevriest hij juist? Ik kijk naar de ogen: zijn ze zacht en aanwezig, of open maar weg? Ik kijk naar de mond: een klein knijpje, een lip die iets strakker wordt, een kaak die vastzit. Ik kijk naar de neusgaten en de ademhaling: snel en hoog, of rustig en laag? Soms zie je een paard dat“braaf” is — stil, voorbeeldig — maar als je goed kijkt, zie je dat het lichaam geen ruimte heeft. Dan is het stil, maar niet ontspannen.

Bij zien hoort voor mij ook kijken naar het dagelijks functioneren van een paard.
Ik kijk hoe een paard eet. Is het een langzame eter of juist heel snel klaar? Wordt er veel geknoeid en gemorst, of blijft het voer netjes liggen? Moet een paard opvallend veel drinken tijdens of na het eten? Dit soort details zeggen vaak al veel over het kauwen en malen. Over hoe efficiënt een paard zijn voer verwerkt, en of dat proces voor hem vanzelfsprekend verloopt of juist moeite kost.

Ik kijk ook naar de mest. Niet vluchtig, maar bewust. Is deze mooi gevormd en stevig, of juist dun? Slecht kauwen en malen heeft invloed op de vertering, en dat zie je vaak eerder terug in de mest dan in de mond zelf.

Ook de bespiering neem ik mee in mijn observatie. Een paard dat zijn voer niet goed kan verwerken, neemt voedingsstoffen minder efficiënt op. Dat kan zich uiten in een doffe vacht, een schrale bespiering of moeite met het behouden van conditie, ondanks goed management en voldoende voer.

Dat zijn geen losse signalen. Samen vormen ze een beeld. En dat beeld helpt mij om te begrijpen wat er speelt, nog voordat ik de mond heb bekeken.

En dat is precies het verschil dat ik wil blijven zien.

Voelen – luisteren met mijn handen

Daarna komt voelen. En dit is voor mij misschien wel het meest eerlijke zintuig, omdat een paard daar niet omheen kan. Ik voel de kaakgewrichten, de kauwspieren, het tongbeen, de spanning in de atlas-/halsregio. Ik voel of iets warm is, hard, gevoelig, strak, of juist zacht en meegaand.

Mijn handen vertellen me of het paard ruimte heeft om te kauwen en te bewegen, of dat er ergens iets vastzit. Soms zit het niet in de tanden zelf, maar in de spieren die al maandenlang “aan”staan. Dan kan een gebit technisch redelijk zijn, maar functioneel klopt het niet, omdat het paard niet vrij durft te gebruiken wat hij heeft. En ik voel ook iets anders: de mentale toestand. Een paard dat zich veilig voelt, voelt anders aan. Het lichaam wordt zwaarder, de adem zakt, de hals wordt zachter. Een paard dat zich verdedigt, wordt lichter en strakker. Daar hoef ik geen woorden aan te geven. Dat voel je.

Horen – het geluid van spanning en ontspanning

Horen is een zintuig dat veel mensen onderschatten bij paarden. Maar ik luister voortdurend. Niet alleen naar wat het paard “doet”, maar naar de geluiden eromheen. Ik luister naar de ademhaling: een rustige, lage adem is iets anders dan korte, hoge ademteugen. Ik luister naar kleine zuchten. Naar slikken. Naar kauwgeluid. Naar het moment waarop een paard begint te likken en te kauwen — dat is vaak het eerste signaal dat de spanning zakt.

En ja, ik luister óók naar de geluiden van mijn gereedschap.

Als ik het elektrische gereedschap pak, de rasp, dan is dat voor veel paarden een prikkel. Het geluid, de trilling, de nabijheid — dat kan allemaal iets doen. Dat is precies waarom ik niet zomaar “begin”. Ik kijk wat het geluid met het paard doet. Wordt hij groter in zijn lijf? Wordt hij strak? Of blijft hij aanwezig?

Het mooie is: als je het tempo goed kiest, en je bouwt het rustig op, dan zie je vaak dat een paard het accepteert zonder stress. Niet omdat hij “moet”, maar omdat hij begrijpt: dit is veilig, dit gaat niet over mij heen.

Luisteren betekent voor mij niet alleen luisteren naar het paard.
Ik luister ook naar de ruiter.

Wat ervaart iemand in het rijden? Zijn er veranderingen geweest? Is een paard sterker aan één kant, houdt hij het bit vast, wordt hij zwaar op de hand of juist onrustig in de aanleuning? Zijn er problemen in wendingen, overgangen of bij het nageven? Dit soort rijtechnische signalen zijn voor mij waardevolle informatie. Niet om direct conclusies te trekken, maar om verbanden te leggen. Wat een ruiter voelt, sluit vaak naadloos aan bij wat een paard laat zien in zijn lichaam en mond.

Door goed te luisteren naar die ervaring, krijg ik een vollediger beeld. Het helpt mij om te begrijpen waar spanning ontstaat, waar compensatie optreedt en waar het paard mogelijk moeite heeft om zichzelf correct te gebruiken.

De ruiter is daarmee geen bijzaak, maar een belangrijke schakel in het geheel.

Ruiken – geur vertelt meer dan je denkt

Ruiken is misschien wel het zintuig waar mensen het minst aan denken. Maar geur is informatie.

Ik ruik aan de adem. Aan de mond. Aan het moment dat de mondspreider open gaat. Een afwijkende geur kan iets zeggen over ontsteking, voedselresten die vastzitten, of een probleem dat je niet meteen met je ogen ziet. Soms ruik je iets wat je later pas bevestigt met onderzoek. En soms is het juist een geruststelling: dit ruikt gezond, dit klopt. Ook de omgeving heeft geur. De stal. Het voer. De stress van andere paarden. Een paard in een drukke omgeving ruikt anders, reageert anders. Ik neem dat mee. Niet met grote conclusies, maar als onderdeel van het geheel.

Proeven / “smaak– en het zesde zintuig

Een paard “proeft”de wereld ook via de mond. Dat merk je aan hoe het reageert op het openen, op aanraking van het tandvlees, op drukpunten. En ik neem ook mijn eigen ervaring mee — wat mensen soms het zesde zintuig noemen. Niet zweverig, maar vakgevoel. Dat gevoel dat zegt: dit paard kan door, of: nu moet ik vertragen.

Dat vakgevoel is niet magisch. Het is opgebouwd uit duizenden momenten. Uit kijken, voelen, horen en ruiken — en steeds opnieuw eerlijk blijven over wat je ziet.

Waarom dit alles vóór de behandeling komt

Omdat de behandeling dan niet iets wordt wat je“op”een paard doet, maar iets wat je mét een paard doet. Wanneer ik mijn zintuigen goed inzet, weet ik niet alleen wát ik wil doen, maar vooral hoe ik dat moet doen: tempo, pauzes, benadering, plek. En het belangrijke is: dit is niet alleen prettig. Dit is ook veilig.

Een paard dat zich gezien voelt, geeft signalen. Een paard dat signalen mag geven, hoeft niet te escaleren. En een paard dat niet wordt buitengesloten van zijn eigen ervaring, kan leren dat een behandeling oké is. Daarom is deze fase voor mij geen bijzaak. Het is de basis.

Pas als ik voel: dit paard is aanwezig, dit paard heeft ruimte, dit paard kan me volgen — pas dan pak ik een vijl. Want een goede behandeling begint niet met techniek. Een goede behandeling begint met waarnemen.Mijn missie is eenvoudig, maar essentieel: het bevorderen van een gezonde mond en een gelukkig paard, één glimlach per keer.

Marnix Brandes, Paardentandarts