Een glad gebit is niet per se een goed gebit
Waarom ik liever naar functie kijk dan naar een showroomresultaat
Wij mensen houden van netjes.
Een rechte lijn is mooier dan een scheve, een glad oppervlak voelt beter dan iets met een randje en als iets na een behandeling strak, schoon en gelijkmatig oogt, dan geeft dat al snel het gevoel dat het dus ook goed gedaan is.
Ik snap dat heel goed.
Alleen heeft een paardengebit daar zelf niet zoveel boodschap aan. Die wil vooral gewoon kunnen malen. En precies daar zit voor mij een belangrijk verschil.
Een paardengebit is geen kunstgebit dat je na afloop even oppoetst tot alles glad en keurig in het gelid staat. Het is een werkend systeem dat iedere dag urenlang ruwvoer verwerkt. Tanden en kiezen maken contact, slijten, bewegen ten opzichte van elkaar en passen zich voortdurend aan. Daar horen verschillen bij. Kleine ribbels, hoogteverschillen en natuurlijke structuren zijn niet automatisch iets wat je moet wegwerken.
Soms kijkt een eigenaar na een behandeling in de mond en verwacht bijna een soort showroomresultaat. Alles glad, strak en links en rechts hetzelfde. Begrijpelijk hoor, wij mensen worden nu eenmaal rustig van dingen die er netjes uitzien.
Maar het paard staat daar natuurlijk niet naast met een clipboard om mijn afwerking te beoordelen.
Die wil gewoon dat zijn kaak vrij kan bewegen, dat zijn kiezen goed contact maken en dat hij zijn voer zonder gedoe kan verwerken.
Dat is voor mij de echte maatstaf.
Want een mond kan er ontzettend netjes uitzien en toch functioneel niet optimaal zijn. Andersom kan een gebit er op het eerste gezicht wat minder “perfect” uitzien, terwijl het paard er prima mee maalt.
Tja, en daar moet je dus even niet zenuwachtig van worden.
Zeker omdat wij mensen geneigd zijn om afwijkingen visueel te beoordelen. Zie je een puntje, een richel of een verschil in hoogte, dan voelt het al snel alsof daar nog “iets aan gedaan” moet worden.
Maar dan komt bij mij altijd dezelfde vraag:
stoort het ook?
Beperkt het de maalbeweging? Schuurt het tegen wang of tong? Dwingt het paard tot compensatie? Zorgt het voor een patroon dat zichzelf steeds verder uit balans trekt?
Als het antwoord nee is, dan hoeft het voor mij niet per se weg.
En dat is misschien wel het stuk waar mijn manier van behandelen de afgelopen jaren steeds duidelijker in is geworden. Ik wil niet zoveel mogelijk corrigeren omdat het er daarna mooier uitziet. Ik wil gericht corrigeren waar functie of comfort in de knel komt.
Dat is iets heel anders.
Een paard heeft maar één gebit. Tandweefsel dat je weghaalt, komt niet terug. Dan lijkt het mij vrij logisch dat je daar zorgvuldig mee omgaat. Je gaat toch ook niet ieder jaar enthousiast een stuk van je keukentafel afschuren omdat hij nog nét iets gladder kan?
Op een gegeven moment houd je een salontafeltje over.
En dat was nou ook weer niet de bedoeling.
Zo kijk ik ook naar tanden en kiezen.
Natuurlijk moet je scherpe delen weghalen als ze problemen geven. Overgroeiingen die beweging beperken moet je corrigeren. Als iets wondjes veroorzaakt of het paard belemmert in zijn maalbeweging, dan wil ik daar iets mee.
Maar een natuurlijke structuur is niet hetzelfde als een probleem.
En “glad” is niet automatisch hetzelfde als “goed”.
Sterker nog, juist te veel weghalen kan betekenen dat je iets verandert wat functioneel nog prima werkte. Dan heb je wel een mooi plaatje, maar misschien minder functie.
Daar word ik niet zo warm van.
Mooi glad is leuk voor het oog, maar het paard moet er vooral wat aan hebben.
Daar komt ook bij dat een paardengebit nooit volledig statisch is. Het verandert continu. Slijtage gaat door, tanden en kiezen erupteren verder en de manier waarop contact wordt gemaakt kan in de loop van de tijd verschuiven.
Daarom vind ik het ook zo belangrijk om niet alleen te kijken naar één moment, maar naar de lijn erachter.
Wat doet deze kies? Wat doet het paard ermee? Hoe beweegt de kaak? Hoe is de slijtage ontstaan? Wat gebeurt er als ik hier iets aan verander?
Dat laatste is misschien wel de belangrijkste vraag.
Want iedere correctie heeft een gevolg.
En daarom probeer ik niet alleen te kijken naar wat ik kan veranderen, maar vooral naar wat ik beter intact kan laten.
Dat past natuurlijk bij mijn less-is-more gedachte, maar hier zit nog een extra laag in. Het gaat niet alleen om minder doen. Het gaat om begrijpen dat “mooier” en “beter” niet altijd hetzelfde zijn.
Een paardengebit hoeft niet te winnen bij de verkiezing voor mooiste mond van Nederland.
Het moet gewoon goed kunnen werken.
En eigenlijk vind ik dat een hele geruststellende gedachte.
Je hoeft niet overal perfectie na te jagen. Je hoeft niet ieder klein verschil weg te werken. Je hoeft alleen goed te kijken naar wat functioneert en wat niet.
En dan blijkt soms dat een mond die er nét wat minder strak uitziet, voor het paard juist een veel betere mond is.
Daarom probeer ik na een behandeling ook niet te denken: ziet dit er mooi genoeg uit?
Ik denk liever:
kan dit paard hier goed mee verder?
Dat is voor mij uiteindelijk de enige showroom die telt.