2 paarden mooi

Dezelfde mond, toch een andere behandeling

Waarom ik nooit alleen naar de afwijking kijk, maar altijd naar het paard eromheen

Soms lijkt het op papier allemaal heerlijk overzichtelijk. Je ziet een overgroeiing, een afwijkende stand, een scherpe rand of een stukje slijtage dat niet helemaal lekker loopt en dan zou je kunnen denken: mooi, probleem gevonden, behandelen maar.

Was het maar zo simpel.

Paardentandheelkunde is gelukkig geen IKEA-handleiding waarbij je bij afwijking A automatisch schroefje B moet pakken en daarna klaar bent. Twee paarden kunnen op het eerste gezicht bijna hetzelfde gebitsprobleem hebben en toch een totaal andere behandeling nodig hebben. Niet omdat ik graag moeilijk doe, maar omdat een mond nooit losstaat van het paard waar hij in zit.

Dat klinkt misschien logisch, maar het is wel iets waar ik door de jaren heen steeds meer op ben gaan letten. In het begin van je vak kijk je vooral naar wat je in de mond ziet. Dat is ook niet zo gek, want je moet tenslotte eerst leren herkennen wat normaal is en wat niet. Maar naarmate je meer paarden behandelt, ga je merken dat twee bijna identieke monden in de praktijk toch een totaal ander verhaal kunnen vertellen.

De ene is jong, de andere oud. De ene loopt fanatiek in de sport, de andere sjokt tevreden zijn rondjes door het bos. De ene heeft een grote vrije maalbeweging, de andere is wat stijver in de kaak. De ene laat duidelijke spanning zien, de andere functioneert eigenlijk opvallend goed met precies dezelfde afwijking.

En dan wordt het leuk.

Want als ik alleen naar de mond kijk, zou ik misschien twee keer hetzelfde doen. Maar als ik naar het hele paard kijk, is dat lang niet altijd de beste keuze.

Stel, ik zie bij twee paarden een overgroeiing op ongeveer dezelfde plek. Bij paard één merk ik dat de kaakbeweging er duidelijk door beperkt wordt. Het paard maalt kleiner, de kauwspieren voelen wat gespannen en ik zie dat het steeds een beetje om die plek heen probeert te werken. Dan denk ik: ja, hier moet ik iets mee.

Bij paard twee zie ik op papier bijna hetzelfde, maar buiten de mond is het beeld heel anders. Mooie vrije maalbeweging, geen spanning, geen beschadiging, geen duidelijke compensatie. Dan kan het zomaar zijn dat ik daar veel minder aan doe.

En dat is soms precies het moment waarop een eigenaar mij aankijkt alsof ik net heb gezegd dat links en rechts vandaag even niet dezelfde kant op zijn.

“Maar het ziet er toch hetzelfde uit?”

Ja.

Bijna wel.

Alleen het paard is niet hetzelfde.

Dat is voor mij eigenlijk de kern van deze blog.

Ik behandel geen foto van een gebit. Ik behandel een paard.

En dat betekent dat ik niet alleen wil weten wat er in de mond zit, maar ook wat het paard ermee doet. Hoe beweegt de kaak? Hoe eet het? Hoe voelt de bespiering? Hoe oud is het paard? Hoe lang bestaat die afwijking waarschijnlijk al? Is het iets wat zich snel verder ontwikkelt of juist iets waar het paard al jaren prima mee uit de voeten kan?

Daar zit voor mij steeds meer het verschil tussen alleen corrigeren en echt behandelen.

Want iets weghalen omdat het er anders uitziet is vrij makkelijk. Beslissen hoeveel je moet doen, op welk moment en bij welk paard, dat is het stuk waar de ervaring om de hoek komt kijken.

En soms betekent ervaring juist dat je minder doet.

Dat klinkt misschien vreemd, maar hoe meer paarden je ziet, hoe beter je leert dat niet iedere afwijking dezelfde reactie vraagt. Een jong paard met een bepaalde slijtage kan iets heel anders nodig hebben dan een ouder paard dat al jaren met zijn eigen balans werkt.

Bij een ouder gebit moet je sowieso nét even anders denken, want je kunt daar natuurlijk niet elk jaar enthousiast blijven vijlen alsof er ergens achter in de stal nog een pallet reservekiezen staat.

Die heb ik in ieder geval nog nooit gevonden.

Dus kijk ik steeds meer naar wat nodig is om functie en comfort te verbeteren, zonder meer te veranderen dan nodig.

Daar zit ook een stuk timing in. Soms zie ik iets waarvan ik denk: dit moet ik nu aanpakken voordat het groter wordt. Soms denk ik juist: hier wil ik eerst nog even volgen wat het doet. En soms besluit ik bewust dat ik iets laat zoals het is, omdat het paard er op dat moment gewoon goed mee functioneert.

Dat is niet dat ik de ene dag zus denk en de andere dag zo. Dat is gewoon kijken naar wat er vóór je staat. Paard A is paard A en paard B heeft daar meestal lak aan.

Dat is precies waarom standaardlijstjes in de praktijk maar beperkt helpen.

Niet denken: haak gezien, vijl erin, klaar.

Eerst begrijpen wat die haak in déze mond, bij dít paard, op dít moment betekent.

Misschien is dat ook waarom ik het zo leuk vind om paarden vóór de behandeling al te bekijken. Want tegen de tijd dat de mond open gaat, heb ik vaak al een behoorlijk beeld van hoe dat paard functioneert. Dan wordt wat ik binnenin zie veel logischer.

Soms bevestigt de mond precies wat ik buiten de mond al dacht.

Soms verrast hij me.

En soms denk ik: nou vriend, jij hebt hier zelf ook nog een behoorlijk creatief systeem van gemaakt.

Dat is dan weer het mooie van paarden. Ze houden zich niet altijd keurig aan ons lesboek.

En misschien moeten wij dat soms ook maar niet doen.

Natuurlijk zijn er dingen die gewoon behandeld moeten worden. Een duidelijke scherpe rand die wondjes veroorzaakt, een overgroeiing die de beweging blokkeert, een situatie waarin een paard steeds verder uit balans raakt — daar hoef je niet eindeloos filosofisch omheen te dansen. Dan moet je gewoon iets doen.

Maar hoeveel je doet en hoe ver je gaat, hangt voor mij altijd samen met het hele verhaal.

Daarom kan dezelfde afwijking bij twee paarden toch een andere behandeling krijgen.

Niet omdat ik de ene dag zin heb in aanpak A en de volgende dag in aanpak B.

Maar omdat paard A nu eenmaal paard A is en paard B daar zijn eigen mening over heeft.

En dat klinkt bijna te simpel.

Maar juist daarin zit voor mij steeds meer vakmanschap.

Niet denken:

wat moet ik met deze afwijking?

Maar:

wat heeft dit paard nodig?

Dat is uiteindelijk een veel interessantere vraag.

;