Een afwijking is nog geen probleem
Waarom iets dat er vreemd uitziet niet automatisch behandeld hoeft te worden
Soms kijk je samen met een eigenaar in een paardenmond en zie je het bijna gebeuren. Eerst is er vooral nieuwsgierigheid, dan gaat de lip iets verder omhoog, komt er net wat meer van het gebit in beeld en ineens verschijnt die blik van: hé… dat ziet er niet helemaal uit zoals ik had verwacht. Meestal volgt daarna vrij snel de vraag: “Moet daar niet iets aan gebeuren?”
Ik snap die reactie heel goed. Wij mensen houden nu eenmaal van recht, netjes en gelijk. Als ergens iets uitsteekt, scheef staat of anders afslijt, hebben we al snel het gevoel dat daar dus ook iets mis mee zal zijn. Een beetje alsof je langs een schutting loopt en één plank staat drie centimeter scheef. Dan begint het ergens toch te jeuken. Even rechtzetten en klaar.
Alleen werkt een paardenmond gelukkig niet als een schutting.
Een paardengebit is geen steriel rijtje tanden dat allemaal exact hetzelfde moet staan. Het leeft, slijt, verandert en past zich voortdurend aan. Iedere mond heeft zijn eigen geschiedenis en dat zie je soms terug in kleine verschillen in hoogte, stand of slijtage. Voor ons oog kan dat vreemd lijken, terwijl het paard er ondertussen prima mee functioneert.
En precies daar zit voor mij vaak het interessante stuk.
Want iets wat opvalt is nog niet automatisch iets wat stoort.
Dat is ook waarom ik tijdens een controle niet alleen denk: hé, dat is afwijkend. Mijn volgende vraag is veel belangrijker: wat doet het?
Beperkt het de beweging van de kaak? Schuurt het tegen wang of tong? Zorgt het voor spanning? Moet het paard er telkens omheen werken? Zie ik dat de afwijking zichzelf verder versterkt? Of is het simpelweg iets dat er anders uitziet, maar waar het paard op dit moment gewoon goed mee functioneert?
Dat verschil is voor mij ontzettend belangrijk, want anders ga je al snel behandelen wat vooral opvalt en niet per se wat werkelijk belangrijk is.
Ik zie soms een mond waarvan iemand anders zegt: “Nou, daar zit wel wat.” En dan denk ik: ja, er zit zeker wat, maar het paard maalt er netjes mee, de beweging is vrij, ik zie geen beschadiging en ik voel geen duidelijke beperking. Dan hoeft iets voor mij niet per se weg alleen omdat het niet mooi in het plaatje past.
Andersom gebeurt trouwens ook. Dan ziet een mond er voor een eigenaar best rustig uit en denk ik juist: hier gebeurt functioneel wel degelijk iets. Dat is misschien wel één van de leuke kanten van dit vak. Het opvallendste detail is niet altijd het belangrijkste detail.
En soms zie je aan een eigenaar dat die daar even aan moet wennen.
Dan hebben we samen ergens naar staan kijken, het is duidelijk anders en vervolgens doe ik er gewoon niets aan. Je ziet ze soms bijna denken: nou, daarvoor hebben we dus net zo interessant staan kijken?
Ja, soms wel.
Niet omdat ik het niet gezien heb, maar juist omdat ik het wel gezien heb en daarna besloten heb dat het geen behandeling nodig heeft.
Dat vind ik zelf eigenlijk een belangrijk onderdeel van vakmanschap. Niet alleen weten wat je wél moet doen, maar ook herkennen wanneer je beter niets doet. Want iets weghalen is makkelijk. Iets bewust laten zitten omdat het functioneel geen probleem vormt, vraagt soms juist meer overtuiging.
Daar zit ook een beetje mijn less-is-more gedachte in, maar dit gaat nog net een stapje eerder. Voordat je überhaupt besluit om iets te corrigeren, moet je eerst weten of wat je ziet ook betekenis heeft.
Een paardengebit hoeft van mij niet glad, recht en symmetrisch te zijn alsof het net uit een folder komt. Het moet vooral goed kunnen werken.
Ik vergelijk het soms met zo’n oude boerenweg. Die slingert een beetje, er zit hier en daar een hobbel in en hij is zeker niet kaarsrecht aangelegd. Maar als je er prima overheen kunt rijden, ga je toch ook niet de hele weg openbreken omdat hij er op Google Maps niet strak genoeg uitziet?
Zo kijk ik soms ook naar een mond.
Natuurlijk zijn er afwijkingen waar ik wel degelijk iets mee wil. Een scherpe rand die wondjes veroorzaakt, een overgroeiing die de kaakbeweging belemmert of een situatie waarin een paard steeds meer moet compenseren, dat zijn dingen waar ik niet zomaar langsheen loop. Dan is het niet alleen anders, dan beïnvloedt het ook comfort of functie.
Maar als iets alleen maar anders oogt en verder nergens problemen veroorzaakt, dan kan “niets doen” gewoon de beste behandeling zijn.
Dat klinkt misschien wat tegenstrijdig uit de mond van een paardentandarts, maar ik vind het juist heel logisch. Ik kom niet om zoveel mogelijk weg te halen. Ik kom om te beoordelen wat een paard nodig heeft.
En soms is dat verrassend weinig.
Dat is voor eigenaren trouwens vaak best een opluchting. Eerst schrikken ze van iets wat ze zien en vervolgens blijkt dat het helemaal niet automatisch slecht nieuws is. Ik vind dat mooi, want hoe beter mensen leren kijken naar functie in plaats van alleen naar uiterlijk, hoe minder snel ieder verschil meteen als probleem voelt.
Uiteindelijk is een afwijking namelijk eerst gewoon een waarneming.
Iets wat opvalt.
Pas daarna komt de echte vraag: wat betekent het voor dit paard?
Dat is waarom ik graag eerst kijk, voel en het hele verhaal probeer te begrijpen voordat ik besluit wat er moet gebeuren. Niet omdat ik moeilijk wil doen, maar omdat ik liever één keer goed nadenk dan te snel iets verander waar het paard eigenlijk prima mee uit de voeten kon.
Soms moet je corrigeren.
Soms moet je bijsturen.
En soms moet je gewoon de rust hebben om te zeggen: ik zie het, ik heb ernaar gekeken, maar dit hoeft op dit moment niet behandeld te worden.
Dat is geen gemiste kans.
Dat is gewoon goed kijken.
Want niet alles wat vreemd is, is verkeerd. En niet alles wat afwijkt, vraagt om een vijl.
Soms vraagt het vooral om een paardentandarts die niet meteen zenuwachtig wordt van een scheve plank in de schutting.