Maar hij eet toch gewoon?
Waarom goed eten niet altijd betekent dat een gebit ook optimaal functioneert
“Maar hij eet toch gewoon?”
Ik hoor die zin best vaak. En eerlijk gezegd snap ik hem ook heel goed. Als een paard zijn hooi opeet, zijn brok netjes wegwerkt en niet half verhongerd in de wei staat, dan voelt dat al snel als bewijs dat het met het gebit wel goed zal zitten.
En meestal gaat er natuurlijk ook heel veel goed.
Maar paarden zijn akelig handig in aanpassen.
Dat is misschien wel één van hun grootste talenten. Als iets niet helemaal lekker loopt, gooien ze niet meteen de handdoek in de ring. Ze zoeken gewoon een manier waarop het wél lukt. Ze veranderen hun maalbeweging een beetje, gebruiken de ene kant net wat meer, vermijden een bepaald contact of nemen simpelweg iets meer tijd.
En zolang dat lukt, ziet de eigenaar vooral een paard dat eet.
Daarom vind ik “hij eet toch goed?” altijd zo’n interessante opmerking. Want goed eten zegt absoluut iets, maar het zegt niet alles.
Soms sta ik bij een paard waarvan de eigenaar heel tevreden zegt dat er eigenlijk geen klachten zijn. Geen proppen, geen geknoei, geen gedoe met krachtvoer. Hij eet alles op en doet dat al jaren zo. Prima toch?
Dan begin ik mijn onderzoek en zie ik soms een paard dat inderdaad uitstekend heeft geleerd om met zijn situatie om te gaan.
En dat is iets anders dan zeggen dat alles optimaal functioneert.
Een paard kan bijvoorbeeld heel lang compenseren voor een verschil in slijtage. Als ergens een overgroeiing ontstaat of de bewegingsvrijheid van de kaak langzaam verandert, hoeft dat niet meteen tot spektakel te leiden. Het paard gaat niet op maandagochtend ineens bij de voerbak staan met een bordje om zijn nek waarop staat: “Sinds gisteren linksachter een probleem.”
Was het maar zo makkelijk.
In plaats daarvan past het zich aan. Misschien wordt de maalbeweging wat kleiner, misschien gaat de onderkaak net iets anders bewegen of wordt één kant vanzelf belangrijker dan de andere. En als dat proces langzaam genoeg gaat, valt het nauwelijks op.
Dat vind ik altijd fascinerend.
Wij mensen zijn vaak op zoek naar duidelijke signalen. Een paard eet slecht of goed. Het heeft pijn of niet. Het functioneert of het functioneert niet. Maar een paard zit daar vaak ergens tussenin. Het doet het nog prima, alleen misschien niet meer helemaal op de manier waarop het ooit bedoeld was.
En precies daar wordt een controle interessant.
Ik kijk daarom niet alleen of een paard kán eten. Ik wil zien hóé het eet. Hoe groot is de maalbeweging? Is die mooi vrij? Is er verschil tussen links en rechts? Hoe voelen de kauwspieren? Zit er spanning? Kan de onderkaak voldoende bewegen of zie je dat er ergens een soort rem op zit?
Pas daarna ga ik de mond in.
Want soms zie je in die mond precies waarom een paard het buiten de mond net iets anders is gaan oplossen. En dan denk je weleens: tja vriend, je hebt jezelf hier wel heel handig doorheen gemanoeuvreerd.
Dat is ook meteen een belangrijk punt: compensatie is niet automatisch slecht.
Sterker nog, compensatie is vaak ontzettend slim. Het lichaam probeert voortdurend een manier te vinden om te blijven functioneren. Dat geldt voor paarden net zo goed als voor mensen.
Als jij een pijnlijke knie hebt, ga je ook niet midden op straat liggen wachten tot iemand je komt repareren. Je zet je voet net wat anders neer, loopt misschien iets schever en probeert zo toch gewoon bij de supermarkt te komen.
Een paard doet eigenlijk hetzelfde.
Alleen vertelt het je niet dat het inmiddels al zes maanden een andere route gebruikt.
Het paard heeft natuurlijk ook niet op onze tandheelkundeles gezeten. Die denkt niet: mijn laterale excursie is beperkt, ik moet hier iets mee. Die zoekt gewoon een manier waarop eten nog lukt.
Daarom kan een paard ogenschijnlijk probleemloos blijven eten terwijl er in de mond wel degelijk iets verandert.
Dat betekent overigens niet dat we vervolgens ieder klein verschil moeten behandelen alsof we een tikkende tijdbom hebben gevonden. Daar geloof ik juist steeds minder in. Een paardengebit hoeft niet perfect, spiegelglad of volledig symmetrisch te zijn. Een mond leeft, verandert, slijt en past zich aan.
De vraag is voor mij daarom niet: zie ik iets afwijkends?
De vraag is: heeft dat afwijkende ook betekenis?
Beperkt het de beweging? Zorgt het voor beschadiging? Dwingt het paard tot steeds meer compensatie? Is er een risico dat het zichzelf verder versterkt?
Als het antwoord nee is, dan laat ik het soms gewoon met rust.
En als het antwoord ja is, dan probeer ik heel gericht te corrigeren wat werkelijk nodig is.
Dat klinkt misschien simpel, maar juist daarin zit voor mij steeds meer het vak. Niet alles wat anders is, hoeft weg. Niet alles wat je kunt corrigeren, moet je corrigeren. Maar je moet wél herkennen wanneer een paard al langere tijd een oplossing aan het verzinnen is voor iets wat eigenlijk niet optimaal meer loopt.
En dat is vaak precies waarom een jaarlijkse controle waardevol kan zijn, óók wanneer de eigenaar zegt dat het paard prima eet.
Niet omdat ik koste wat kost iets wil vinden.
Integendeel.
Het mooiste is nog steeds wanneer ik kijk, voel en uiteindelijk kan zeggen: dit ziet er gewoon goed uit, hier hoeft weinig of niets te gebeuren.
Maar soms zie je juist aan een paard dat ogenschijnlijk nergens last van heeft dat het zichzelf al een tijd behoorlijk creatief door de situatie heen heeft gewerkt.
Dan denk ik weleens: jij bent handig geweest.
Niet ideaal misschien.
Maar handig.
En misschien is dat ook wel waarom paarden ons zo makkelijk voor de gek kunnen houden. Ze zijn niet gemaakt om bij ieder ongemak meteen op te geven. Ze blijven eten, blijven bewegen en blijven zoeken naar een manier waarop het wel lukt.
Dat is prachtig.
Maar het maakt ons werk soms ook iets lastiger.
Want “hij eet toch gewoon?” is dan niet het einde van het gesprek.
Het is eigenlijk pas het begin.
Want ja, misschien eet hij prima.
Maar de interessantere vraag is soms:
hoe heeft hij ervoor gezorgd dat hij dat nog steeds kan?