Wat mijn handen voelen, ziet mijn lamp niet.
Eigenaren zien mij tijdens een gebitsonderzoek regelmatig met bijna mijn hele arm in de mond van hun paard verdwijnen. Ik kan me voorstellen dat dat er van de buitenkant wat merkwaardig uitziet. Alsof ik ergens achterin iets kwijt ben geraakt en besloten heb het persoonlijk weer op te halen.
Maar juist op dat moment ben ik vaak bezig met één van de belangrijkste onderdelen van mijn onderzoek.
Ik ben aan het voelen.
Natuurlijk heb ik een goede lamp. Die heb ik ook echt nodig, want een paardenmond is lang, donker en achterin bepaald niet voorzien van sfeerverlichting. Met mijn lamp kan ik kleur, vorm, slijtage en beschadigingen beoordelen. Ik zie hoe de kiezen eruitzien, hoe het kauwvlak gevormd is, waar scherpe randen zitten en of er plekken zijn die mijn aandacht trekken.
Maar hoe goed die lamp ook is, hij heeft één behoorlijk groot gebrek.
Hij kan niet voelen.
En dat is precies waarom mijn handen minstens zo belangrijk zijn.
Wanneer ik met mijn hand de mond inga, voel ik niet alleen even of er ergens iets scherps zit. Ik ga eigenlijk kies voor kies langs. Ik pak iedere kies vast, geef er rustig druk op en probeer hem voorzichtig iets te draaien of te bewegen. Een gezonde kies hoort daar overigens niet al te enthousiast aan mee te werken. Als hij besluit gezellig met mijn vingers mee te draaien, wordt het voor mij meestal meteen interessanter.
Dat is nou precies zo’n moment waarop voelen iets kan laten zien wat mijn ogen missen.
Ik kan met mijn lamp naar een kies kijken en denken: ziet er prima uit. Mooie kleur, geen rare breuk, staat keurig op zijn plek. Maar zodra ik hem tussen mijn vingers heb en een beetje druk geef, kan ik ineens denken: hé, wacht eens even… jij beweegt.
En dan verandert het verhaal.
Andersom gebeurt het ook. Een kies kan muurvast staan en er op het eerste gezicht helemaal niet bijzonder uitzien, maar precies op het moment dat ik er druk op zet reageert het paard. Misschien trekt hij zijn hoofd een fractie terug, spant de kaak even aan of voel ik gewoon dat de hele mond ineens anders wordt.
Mijn lamp kan mij vertellen hoe die kies eruitziet.
Mijn vingers vertellen mij wat er gebeurt wanneer ik hem belast.
En het paard vertelt mij vervolgens wat hij daarvan vindt.
Dat samenspel vind ik prachtig.
Zo werk ik langzaam steeds verder naar achteren. Bij een paard is dat nog best een eind, en daarom verdwijnt mijn arm uiteindelijk steeds verder uit beeld. Voor de eigenaar lijkt het misschien alsof ik inmiddels ergens ter hoogte van de staart ben aangekomen, maar ik beloof je: ik zit nog steeds in de mond.
Wanneer ik bij de achterste kiezen ben, draai ik het onderzoek eigenlijk om. Vanaf daar ga ik langs het tandvlees onder iedere kies weer terug naar voren. Ook daar geef ik rustig druk. Niet zomaar ergens, maar steeds op dezelfde manier, zodat ik links met rechts kan vergelijken en kan voelen of één plek duidelijk anders reageert.
En dat vind ik nou echt één van die mooie dingen aan mijn vak.
Je hoeft namelijk niet altijd een spectaculaire afwijking te vinden om waardevolle informatie te krijgen. Soms zit het juist in een heel klein verschil. Links kan ik stevig drukken en gebeurt er niets, terwijl het paard rechts op precies dezelfde plek ineens reageert. Dan weet ik nog niet automatisch wat er aan de hand is, maar ik weet wel dat ik daar verder moet kijken.
Geen duidelijke pijnreactie is voor mij meestal geruststellend. Als ik een kies kan bewegen, eraan kan draaien en rondom het tandvlees druk kan geven zonder dat het paard ook maar iets bijzonders laat zien, dan geeft dat mij informatie. Maar het is nooit de enige informatie waarop ik mijn oordeel baseer.
Een paardenmond is daarvoor veel te interessant.
Gelukkig maar trouwens, anders was ik waarschijnlijk binnen een kwartier klaar en zou mijn werk een stuk saaier zijn.
Ik combineer altijd wat ik voel met wat ik zie. Hoe is de slijtage? Hoe beweegt de kaak? Is er verschil tussen links en rechts? Hoe ziet het tandvlees eruit? Hoe reageert de tong? Wat gebeurt er wanneer ik bepaalde delen van de mond belast?
Pas wanneer al die kleine stukjes informatie bij elkaar komen, begint voor mij het verhaal te kloppen.
Dat is precies waarom ik zo weinig heb met alleen maar even in een mond kijken, een scherpe rand zien en denken: die halen we weg en klaar.
Natuurlijk behandel ik scherpe randen wanneer dat nodig is. Daar kom ik tenslotte ook voor. Maar ik wil eerst begrijpen wat ik voor me heb. Waarom zit die rand daar? Hoe gebruikt het paard dat deel van zijn gebit? Is er aan de andere kant een verschil? Is een kies stevig? Is hij gevoelig? Heeft het paard misschien al een tijd iets gecompenseerd?
Dat soort vragen krijg je niet allemaal beantwoord door alleen maar goed licht te hebben.
Soms zie ik een kies die er op het eerste gezicht allesbehalve fraai uitziet, terwijl hij stevig staat en het paard nergens op reageert. En soms zie ik juist een kies waarvan je denkt dat er weinig bijzonders mee is, totdat je hem vastpakt en hij je ineens iets heel anders vertelt.
Dat is het mooie verschil tussen kijken en voelen.
Met mijn lamp zie ik kleur, vorm, slijtage en beschadigingen. Met mijn vingers voel ik stevigheid, beweging, gevoeligheid en het verschil tussen links en rechts.
Die twee vullen elkaar voortdurend aan.
Mijn handen gaan trouwens niet alleen langs de kiezen. Ik voel ook de tong, de zachte weefsels en de ruimte in de mond. Ik voel hoe een paard reageert wanneer ik ergens druk geef en hoe makkelijk ik bepaalde bewegingen kan maken. Soms ontdek je zo iets wat je met alleen kijken nooit had gevonden.
En daar kan ik dus behoorlijk enthousiast van worden.
Want eigenlijk is het een soort speurwerk. Je ziet iets, je voelt iets, het paard reageert ergens op en ineens vallen een paar losse puzzelstukjes op hun plaats. Dat is voor mij veel interessanter dan alleen een lijstje afwerken met wat er wel of niet gevijld moet worden.
Ik wil begrijpen waarom iets zo is geworden.
En pas daarna besluit ik wat ik ermee doe.
Daarom begint een behandeling voor mij ook nooit bij mijn vijlen. Tegen de tijd dat ik daarmee aan de slag ga, heb ik al gekeken, gevoeld, vergeleken en geluisterd naar wat het paard mij laat zien.
Soms met mijn ogen.
Maar heel vaak gewoon met mijn handen.
Dus wanneer je mij tijdens een volgende behandeling weer met mijn arm bijna tot aan mijn elleboog in een paardenmond ziet staan, hoef je je geen zorgen te maken. Ik ben niets kwijt en ik ben ook niet verdwaald.
Ik ben aan het zoeken.
Niet alleen naar wat ik kan zien, maar vooral naar wat ik kan voelen.
Want een lamp kan mij ontzettend veel laten zien. Maar hij vertelt mij niet of een kies beweegt, hij voelt geen gevoelig tandvlees en hij merkt niet dat een paard precies bij één bepaalde plek zijn kaak aanspant.
Daar heb ik mijn handen voor.
En misschien is dat uiteindelijk wel één van de belangrijkste dingen die ik in al die jaren heb geleerd: sommige problemen springen meteen in het oog, maar de interessantste moet je soms eerst in je vingers krijgen voordat je ze echt begrijpt.