Een paard kauwt maar aan één kant tegelijk
Er zijn van die dingen die ik tijdens een behandeling vertel waarvan ik inmiddels bijna kan voorspellen hoe iemand reageert. Eén daarvan is dat een paard maar aan één kant tegelijk kan malen. Meestal kijkt een eigenaar me dan even aan, alsof hij wil controleren of ik het serieus meen.
“Echt?”
Ja, echt.
Eigenlijk is het heel logisch zodra je weet hoe een paardengebit in elkaar zit. De bovenkaak van een paard is namelijk breder dan de onderkaak. Daardoor staan de bovenkiezen niet precies recht boven de onderkiezen zoals je misschien zou verwachten. Om het voer goed fijn te krijgen, beweegt de onderkaak zijwaarts en komen de kiezen aan één kant met elkaar in contact. Dat is ook de reden waarom ik liever over malen praat dan over kauwen. Een paard hapt zijn voer niet simpelweg fijn zoals wij dat doen, maar maakt er met die grote kiezen een echte maalbeweging van.
Tijdens het eten wisselt een paard voortdurend van kant. De ene maalbeweging gebeurt links, de volgende weer rechts, en zolang alles goed functioneert loopt dat proces de hele dag vanzelf door. Het paard denkt daar natuurlijk geen seconde over na en wij meestal ook niet. Hij staat gewoon rustig zijn hooi te eten en niemand vraagt zich af wat er ondertussen allemaal tussen die kaken gebeurt.
Totdat één kant minder prettig wordt.
Dat kan allerlei oorzaken hebben. Misschien zit er een kies die gevoelig is, misschien is er ergens een beschadiging of een scherpe rand, of speelt er iets anders waardoor het paard die zijde liever wat minder gebruikt. En dan doet een paard iets waar paarden ontzettend goed in zijn: hij past zich aan.
Als links niet prettig is, wordt rechts gewoon wat vaker ingezet.
Eigenlijk is dat een fantastisch systeem. Het zorgt ervoor dat een paard ondanks een probleem toch kan blijven eten. Alleen heeft dat handige noodplan ook een nadeel, want zolang het lukt om met de andere kant verder te malen, hoeft een paard aan de buitenwereld helemaal niet duidelijk te laten zien dat er iets aan de hand is.
Hij blijft bij de voerbak staan, eet zijn hooi op en heeft misschien nog gewoon dezelfde eetlust als altijd. Soms doet hij er wat langer over, soms laat hij wat voer vallen, maar het kan net zo goed zijn dat een eigenaar helemaal niets bijzonders merkt. Ondertussen is het paard wel degelijk bezig zijn manier van malen aan te passen.
En daar begint langzaam een tweede verhaal.
De tanden en kiezen van een paard zijn gebouwd voor jarenlang malen van vezelrijk voer. Ze hebben een lange reservekroon en komen gedurende het leven steeds verder in de mond terwijl het gedeelte dat gebruikt wordt afslijt. Bij een normaal functionerend gebit houden die slijtage en het verder doorbreken van de tanden elkaar redelijk in evenwicht.
Wanneer een paard beide kanten mooi gebruikt, krijgen de kiezen links en rechts dus ook hun normale slijtage. Maar als één zijde langere tijd minder wordt gebruikt, verandert dat. De kant waar het paard veel mee maalt slijt verder, terwijl aan de andere zijde bepaalde delen juist onvoldoende worden afgesleten. Zo kunnen er langzaam hoogteverschillen en overgroeiingen ontstaan en kan het hele kauwvlak steeds verder uit balans raken.
Dat gebeurt natuurlijk niet ineens. Je zet ’s avonds geen paard met een keurig gebit op stal om hem de volgende ochtend met een enorme overgroei terug te vinden. Het gaat geleidelijk, en precies daarin zit het verraderlijke. Een paard kan weken, maanden en soms veel langer bezig zijn met het compenseren van iets wat ooit misschien maar op één klein plekje begon.
Het bijzondere is dat je tijdens een gebitsonderzoek soms niet alleen het oorspronkelijke probleem ziet, maar ook de oplossing die het paard er zelf voor heeft bedacht.
Dat vind ik één van de fascinerendste kanten van mijn werk.
Wanneer ik een paardenmond onderzoek, kijk ik daarom niet alleen naar de vraag of er ergens een scherpe rand of een hoge kies zit. Ik wil vooral begrijpen waarom die daar zit. Waarom ziet de ene zijde er anders uit dan de andere? Waarom beweegt de onderkaak naar links makkelijker dan naar rechts? Waarom voelt een paard zich bij de ene beweging ontspannen en komt er bij de andere ineens weerstand?
Op zo’n moment kijk je eigenlijk terug in de tijd.
Een paardengebit kan namelijk verrassend veel vertellen over de manier waarop een paard zijn mond de afgelopen periode heeft gebruikt. Slijtagepatronen, hoogteverschillen en delen van het gebit die nauwelijks contact hebben gehad, ontstaan niet zomaar. Er zit meestal een geschiedenis achter.
Helaas belt een paard mij niet even op met de mededeling dat hij sinds drie maanden wat minder prettig linksachter maalt en daarom besloten heeft om voorlopig wat meer rechts te gebruiken. Dat zou mijn planning overigens aanzienlijk makkelijker maken.
In plaats daarvan doet hij waar paarden ontzettend goed in zijn: hij zoekt een manier waarop het nog wel lukt en gaat verder.
Dat verklaart ook waarom ik regelmatig hoor: “Maar hij eet nog gewoon prima.”
Dat geloof ik meteen.
Een paard dat nog eet, hoeft alleen niet automatisch een paard te zijn waarvan het gebit ook optimaal functioneert. Juist doordat hij per maalbeweging één zijde gebruikt, heeft hij de mogelijkheid om een minder prettige kant gedeeltelijk te ontzien. De andere kant neemt simpelweg wat meer werk over.
In eerste instantie is dat een briljante oplossing. Alleen kan die oplossing op den duur onderdeel worden van het probleem. De ene kant krijgt steeds meer belasting, de andere steeds minder normale slijtage en ondertussen verandert de manier waarop de hele kaak beweegt.
Daarom vind ik alleen “even de scherpe randjes wegvijlen” zo’n beperkte manier om naar een paardengebit te kijken. Natuurlijk wil ik scherpe punten en afwijkingen behandelen wanneer dat nodig is, maar ik wil vooral begrijpen wat er in die mond gebeurt. Een gebit moet niet alleen netjes ogen wanneer ik er met mijn lamp in kijk; het moet goed kunnen functioneren tijdens al die duizenden maalbewegingen die een paard iedere dag maakt.
En juist dan wordt een gebitsonderzoek interessant. Soms zie ik een afwijking en denk ik niet alleen: daar moet iets aan gebeuren. Ik vraag me vooral af wat het paard heeft moeten veranderen om hiermee te kunnen blijven eten. Welke kant heeft hij ontzien? Wat heeft de andere kant overgenomen? Hoe lang zou hij dit al aan het oplossen zijn zonder dat iemand het heeft gemerkt?
Paarden zijn daar ongelooflijk goed in. Soms misschien iets té goed.
Want terwijl wij denken dat alles prima gaat omdat de hooibak iedere ochtend keurig leeg is, kan een paard allang bezig zijn met een heel eigen plan om ongemak heen te werken.
En misschien is dat wel waarom ik het paardengebit zo boeiend vind. Het vertelt niet alleen wat er op dit moment in de mond zit. Als je goed kijkt naar de slijtage, de beweging en de verschillen tussen links en rechts, vertelt het soms ook hoe een paard zich al maanden heeft aangepast.
Een paard kan verrassend lang om een probleem heen malen.
Mijn werk begint vaak bij het ontdekken van het verhaal dat hij daar zelf al die tijd omheen heeft geschreven.