Wat de tong van een paard mij vertelt
Een behandeling begint bij mij eigenlijk nooit pas op het moment dat ik met mijn vijlen aan de slag ga. Tegen die tijd heb ik vaak al heel wat informatie gekregen. Uit hoe een paard staat, hoe het zijn hoofd houdt, hoe het reageert op aanraking en hoe de kaak beweegt. Maar er is nog iets waar ik tijdens die eerste minuten heel bewust gebruik van maak: de tong.
Voor veel mensen is de tong waarschijnlijk gewoon dat grote roze ding dat af en toe behoorlijk onhandig in de weg kan zitten wanneer je in een paardenmond wilt werken. Voor mij is het veel meer dan dat. Zodra ik de tong vastpak, krijg ik namelijk informatie. Niet alleen over de mond, maar vooral over hoeveel spanning een paard op dat moment vasthoudt.
De tong bestaat voor een groot deel uit spierweefsel en is voortdurend in beweging. Tijdens het kauwen, slikken, drinken en het verplaatsen van voedsel is hij de hele dag aan het werk. Hij is sterk, ongelooflijk beweeglijk en veel gevoeliger dan mensen soms denken. Wie ooit geprobeerd heeft de tong van een paard rustig vast te houden terwijl het paard daar zelf andere ideeën over had, weet trouwens ook meteen hoeveel kracht erin zit. Het is bepaald geen slap roze lapje dat toevallig onder in de mond ligt.
Juist die spierspanning vind ik interessant. Wanneer ik een tong vasthoud, voel ik vaak meteen of een paard hem zacht meegeeft of juist hard wordt en hem met kracht probeert terug te trekken. Soms voel je een tong bijna voortdurend bewegen, alsof het paard nog geen seconde kan loslaten. Bij een ander paard merk je dat die spanning na een paar momenten langzaam minder wordt.
Het zegt mij niet precies waar in het lichaam eventueel spanning zit en ik gebruik de tong natuurlijk niet als een soort glazen bol. Maar ik voel er wel heel duidelijk aan hoe een paard op dat moment met mij en met de situatie omgaat.
Dat is ook de reden waarom ik de tong inzet voordat ik daadwerkelijk begin met behandelen.
Mijn motor hangt tijdens het werk aan mijn harnas. Die motor heb ik nodig omdat mijn vijlen elektrisch werken. Voor mij is het geluid daarvan inmiddels de normaalste zaak van de wereld. Voor een paard dat niet weet wat er gaat gebeuren ligt dat natuurlijk anders. Ineens staat er iemand naast je hoofd, houdt je tong vast en begint er vlak naast je een motor te zoemen.
Als je het zo bekijkt, is het eigenlijk best begrijpelijk dat een paard daar in eerste instantie iets van vindt.
Ik neem daarom rustig de tong vast en geef daarop een lichte, constante druk. Vervolgens zet ik de motor heel even aan. Er gebeurt verder niets. Ik ga nog niet vijlen, ik beweeg niets in de mond en ik vraag verder niets van het paard. Alleen die rustige druk op de tong, gecombineerd met het geluid van de motor.
Daarna gaat de motor weer uit en wacht ik even.
Soms herhaal ik dat nog een keer.
Op die manier probeer ik het paard de kans te geven om te begrijpen dat dat geluid niet automatisch betekent dat er iets vervelends gaat gebeuren. De druk op de tong blijft voorspelbaar, het geluid komt erbij en verder gebeurt er niets.
Het mooie is dat ik het verschil vaak letterlijk in mijn hand voel.
In het begin kan een paard behoorlijk veel kracht op de tong zetten. Hij trekt hem terug, maakt hem hard of probeert hem telkens uit mijn hand te krijgen. Maar wanneer hij begint te begrijpen wat er gebeurt, verandert dat vaak. De tong wordt zachter, de kracht neemt af en soms zie je tegelijkertijd dat het hoofd een beetje zakt of dat het paard uitademt.
Dat is voor mij een belangrijk moment.
Ik zeg weleens dat een paard mij dan toestemming geeft om verder te gaan. Natuurlijk bedoel ik niet dat hij letterlijk zegt: “Prima Marnix, begin maar.” Hoewel dat mijn werk soms wel bijzonder makkelijk zou maken.
Wat ik bedoel, is dat het lichaam verandert.
Het paard hoeft op dat moment niet meer alleen maar bezig te zijn met weerstand en spanning. Hij begint te begrijpen wat er gebeurt en accepteert mijn aanraking en het geluid dat straks bij de behandeling hoort.
En daar wacht ik liever even op dan dat ik er doorheen ga.
Dat past eigenlijk bij mijn hele manier van behandelen. Ik probeer niet te winnen van een paard. Ik probeer duidelijk te maken wat ik ga doen en vervolgens te voelen of het paard daarin mee kan.
De tong speelt daarin een opvallend grote rol, en dat is anatomisch gezien eigenlijk helemaal niet zo vreemd. De tong staat namelijk niet los van de rest van de mond. Hij bestaat uit verschillende spieren en heeft verbindingen met structuren rond het tongbeen, dat diep tussen de onderkaken ligt. Via spieren en bindweefsel is dat gebied weer verbonden met onder andere de kaak, keel en hals. Bij kauwen en slikken werkt dat hele systeem voortdurend samen.
Dat betekent niet dat je aan een tong exact kunt voelen welke spier ergens verderop gespannen is. Zo simpel zit een paardenlichaam gelukkig niet in elkaar, anders waren we allemaal binnen een middag uitgeleerd.
Maar het betekent wel dat spanning en beweging in de mond onderdeel zijn van een veel groter geheel.
Dat zie ik ook terug wanneer ik de tong zelf bekijk.
Soms zie je kleine beschadigingen, verdikkingen, littekens of plekken die duidelijk ooit geïrriteerd zijn geweest. Daar kan van alles achter zitten. Een paard kan zichzelf op de tong hebben gebeten, een kies of scherpe rand kan een rol hebben gespeeld, maar ook een bit kan invloed hebben gehad.
En juist daar vind ik het belangrijk om niet te snel een verhaal te verzinnen.
Een litteken vertelt dat er ooit iets gebeurd is. Het vertelt niet automatisch wie er “schuld” aan had of precies waardoor het gekomen is. Dat is iets wat ik in mijn werk steeds belangrijker ben gaan vinden: eerst kijken, dan voelen en vervolgens proberen te begrijpen wat je ziet.
Niet andersom.
De tong speelt natuurlijk ook een belangrijke rol bij het gebruik van een bit. Een bit ligt tenslotte niet zomaar in een lege ruimte in de mond. Daar zitten een tong, lagen, slijmvliezen, kaakbot en allerlei zachte weefsels. Bij het ene paard is daar behoorlijk veel ruimte voor en bij een ander verrassend weinig.
Een paard met een dikke tong en weinig ruimte kan een bepaald bit heel anders ervaren dan een paard met een smallere tong en meer ruimte in de mond. Daarom vind ik het altijd wat makkelijk wanneer over een bit wordt gesproken alsof één bepaald model automatisch voor ieder paard vriendelijk of prettig zou zijn.
Dat zou een beetje hetzelfde zijn als besluiten dat we vanaf morgen allemaal dezelfde maat schoenen gaan dragen.
Waarschijnlijk zijn we dan snel uitgepraat.
Wanneer ik beschadigingen aan de tong zie of wanneer een paard veel spanning in de mond laat zien, kijk ik daarom niet alleen naar het bit zelf. Ik kijk naar hoeveel ruimte er is, naar de tanden en kiezen, naar de tong, naar de lagen en vooral naar hoe het paard reageert.
Een bit kan er op papier prachtig uitzien, maar uiteindelijk is het paard degene die moet vertellen of het in zijn mond ook daadwerkelijk prettig voelt.
Soms is er overigens helemaal niets aan de tong te zien en vertelt hij mij toch ontzettend veel. Een tong kan er perfect gezond uitzien en toch keihard worden zodra ik hem aanraak. Dat vind ik minstens zo interessant als een zichtbaar wondje.
Misschien heeft een paard ooit iets vervelends meegemaakt. Misschien kent hij het gevoel niet. Misschien is hij gewoon gespannen omdat er een vreemde man naast zijn hoofd staat die ineens opvallend veel belangstelling heeft voor zijn tong.
Ook dat laatste lijkt me een vrij redelijke verklaring.
Ik hoef daar op dat moment niet meteen een ingewikkelde diagnose aan te hangen. Mijn eerste vraag is veel eenvoudiger: kan ik ervoor zorgen dat die spanning minder wordt?
Dus ik wacht. Ik blijf rustig vasthouden, verander soms iets aan mijn druk, laat even los en probeer opnieuw. En vaak gebeurt er dan precies dat kleine ding waar ik naar zoek. De tong wordt zachter en het paard stopt een beetje met zich verzetten.
Dat moment blijft bijzonder, juist omdat er zo weinig spectaculairs gebeurt.
Ik heb niets afgedwongen. Ik heb niets overwonnen. Het paard heeft alleen ontdekt dat het niet nodig is om tegen mij in te gaan.
Mensen denken bij paardentandheelkunde begrijpelijk genoeg vooral aan scherpe randen, haken en vijlen. Dat is uiteindelijk ook het zichtbare deel van mijn werk. Maar voor mij begint een goede behandeling veel eerder dan het eerste contact met een kies.
Hij begint bij het paard dat voor me staat.
Bij kijken.
Bij voelen.
Bij proberen te begrijpen wat het paard mij vertelt voordat ik zelf iets van hem vraag.
En soms vertelt een paard mij dat niet met grote gebaren. Niet door weg te springen of zijn hoofd omhoog te gooien. Soms gebeurt het veel stiller.
Met een tong die eerst hard in mijn hand ligt.
Met een motor die zacht begint te zoemen.
Met een paard dat even wacht.
En met dat ene moment waarop ik voel dat de spanning verdwijnt.
Voor een ander is het misschien maar een tong die ontspant.
Voor mij is het het moment waarop een paard zegt:
ik vertrouw je.
En pas dán begint voor mij de behandeling.