Waarom blijft mijn paard schraal?
In mijn vorige blog schreef ik over voeren en kauwen. Over het simpele maar belangrijke uitgangspunt dat voer niet begint in de voerbak, maar in de mond. Een paard kan namelijk nog zo’n mooi rantsoen krijgen, maar als hij het niet goed kan kauwen, komt het niet goed binnen.
Maar daarmee is het verhaal nog niet af.
Want soms is het gebit gecontroleerd, wordt er goed gevoerd, ligt er genoeg hooi, krijgt het paard extra brok of slobber, en toch blijft hij schraal. Dan ontstaat er vaak frustratie. Niet alleen bij de eigenaar, maar soms ook op stal. Iedereen heeft een mening, iedereen weet wel een product, en voor je het weet staan er drie verschillende zakken voer, twee supplementen en een fles olie naast de voerbak.
En toch verandert er weinig.
Dat is precies het moment waarop ik de vraag interessant vind worden. Niet meteen: wat moeten we erbij voeren? Maar vooral: waarom blijft dit paard schraal?
Want een schraal paard is geen diagnose. Het is een signaal. En dat signaal kan van alles betekenen.
Soms krijgt een paard werkelijk te weinig binnen. Soms krijgt hij op papier genoeg, maar eet hij in de praktijk minder dan gedacht. Soms eet hij wel, maar neemt zijn lichaam het voer niet goed op. Soms speelt leeftijd een grote rol. Soms is er sprake van pijn, stress, wormdruk, PPID, maag- of darmproblemen, slechte ruwvoerkwaliteit of simpelweg een rantsoen dat niet past bij dat specifieke paard.
Daarom is “meer voeren” niet altijd de oplossing.
Natuurlijk kan extra voer nodig zijn. Daar gaat het niet om. Maar als een paard al langere tijd schraal blijft, vind ik het te makkelijk om alleen maar naar de volgende zak brok te grijpen. Dan moet je eerst begrijpen waar het misgaat. Want een paard is geen machine waar je aan de voorkant voer in stopt en waar automatisch conditie en bespiering aan de achterkant uitkomen. Er zit een heel lichaam tussen. En als ergens in dat lichaam of in het management iets niet klopt, kun je blijven bijvoeren zonder dat het paard echt opknapt.
Wat ik in de praktijk vaak zie, is dat het woord “schraal” voor verschillende dingen wordt gebruikt. Het ene paard is echt te mager. De ribben zijn duidelijk zichtbaar, de heupen steken uit en het paard mist algemene conditie. Maar een ander paard is misschien niet extreem mager, maar vooral arm bespierd. Dan zie je een slechte bovenlijn, een scherpe rug, weinig halsbespiering en een paard dat gewoon niet mooi in zijn lijf zit.
Dat lijkt misschien hetzelfde, maar dat is het niet.
Een paard dat te weinig vetreserves heeft, heeft vaak een energieprobleem. Een paard dat vooral spiermassa mist, heeft misschien een ander probleem. Dan gaat het niet alleen over calorieën, maar ook over eiwitkwaliteit, aminozuren, beweging, herstel, pijnvrij kunnen bewegen en algemene gezondheid. Een paard bouwt geen spieren op door alleen maar een schep eiwitrijke brok te krijgen. Het lichaam moet die voeding ook kunnen gebruiken.
Daarom zeg ik vaak: spieren bouw je niet alleen met voer. Spieren bouw je met opname, beweging, rust, gezondheid en balans.
Een paard dat pijn heeft, beweegt anders. Een paard dat zijn rug niet goed gebruikt, bouwt geen mooie bovenlijn op. Een paard dat stijf is, oud wordt, maagklachten heeft of zich niet prettig voelt in de groep, kan er ondanks goed voer toch armer uit blijven zien. Dan klopt het plaatje niet, maar de oorzaak zit niet altijd in de voerbak.
Bij schrale paarden wil ik daarom altijd weten hoe het dagelijks leven eruitziet. Niet alleen wat er gevoerd wordt, maar wat er echt gebeurt. Want op papier kan een paard voldoende hooi krijgen, maar in de praktijk kan dat anders zijn. Staat hij in een groep met dominante paarden? Wordt hij steeds weggejaagd bij het voer? Krijgt hij genoeg tijd en rust om te eten? Is het hooi wel passend voor hem? Is het zacht genoeg, smakelijk genoeg en goed genoeg van kwaliteit? Of staat hij uren aan grof, stengelig hooi te trekken waar hij weinig mee kan?
Vooral bij oudere paarden is dat belangrijk. Een ouder paard kan nog veel levenslust hebben, maar zijn lichaam verandert. De bespiering neemt sneller af, herstel duurt langer en het gebit wordt minder efficiënt. Soms heeft een paard nog wel kiezen, maar zijn ze niet meer functioneel genoeg om langstengelig ruwvoer goed te vermalen. Dan lijkt het alsof hij hooi eet, maar ondertussen haalt hij er te weinig uit.
Dat is voor eigenaren soms lastig om te zien. Ze zien hun paard eten en denken: hij krijgt genoeg. Maar eten is niet hetzelfde als goed benutten.
Een oud paard dat langzaam achteruitgaat, heeft daarom niet altijd alleen maar meer voer nodig. Soms heeft hij ander voer nodig. Zachter, beter opneembaar, veiliger en meer afgestemd op wat hij nog kan. Denk aan goed geweekte grasbrok, luzernebrok, bietenpulp, seniorvoer of een complete vezelrijke slobber. Niet als luxe, maar als manier om toch voldoende vezels en energie binnen te krijgen wanneer gewoon hooi niet meer goed lukt.
Daarbij moet je wel blijven nadenken. Want ook slobber is niet zomaar slobber. De ene slobber is vezelrijk en geschikt als ondersteuning, de andere bevat meer granen, suikers of zetmeel. Ook seniorvoer is geen automatisch wondermiddel. Het kan goed passen, maar alleen als het past bij het paard, het gebit, de stofwisseling en het totale rantsoen.
En dan komen vaak de bekende vragen.
Moet ik merriebrok geven?
Moet ik maïsproducten voeren?
Is olie handig?
Moet er een supplement bij?
Ik snap die vragen heel goed. Als je paard schraal blijft, wil je iets doen. Je wilt helpen. En voer is dan het eerste waar je aan denkt. Maar juist daarom is het belangrijk om niet zomaar te stapelen.
Merriebrok kan in sommige situaties interessant zijn, omdat het vaak meer eiwitten, vitaminen en mineralen bevat. Maar merriebrok is geen tovermiddel. Als het paard te weinig ruwvoer opneemt, slecht kauwt, pijn heeft, niet goed beweegt of een onderliggend gezondheidsprobleem heeft, dan gaat merriebrok dat niet allemaal oplossen.
Maïsproducten leveren vooral energie. Dat kan bij sommige paarden nuttig zijn, maar maïs is niet automatisch de heilige graal voor ieder schraal paard. Zeker bij paarden die gevoelig zijn voor suiker en zetmeel, paarden met aanleg voor hoefbevangenheid, paarden met PPID of insulineresistentie moet je daarmee voorzichtig zijn. Een paard dikker krijgen ten koste van zijn stofwisseling is uiteindelijk geen winst.
Olie kan soms een mooie energiebron zijn, omdat je extra energie kunt geven zonder meteen veel zetmeel toe te voegen. Maar ook olie moet rustig worden opgebouwd en moet passen binnen het totale rantsoen. Een scheut olie lost geen slecht gebit, slechte ruwvoerkwaliteit, wormdruk, maagklachten of chronische pijn op.
Daarom vind ik de vraag “welk product maakt mijn paard dikker?” minder interessant dan de vraag: wat mist dit paard?
Mist hij energie? Mist hij goede vezels? Mist hij eiwitkwaliteit? Mist hij rust? Mist hij opname? Mist hij spierprikkel? Mist hij gezondheid? Of missen wij simpelweg informatie?
Dat laatste gebeurt vaker dan mensen denken.
Een paard dat schraal blijft, vertelt iets. Alleen vertelt hij het niet met woorden. Hij laat het zien in zijn lijf, in zijn vacht, in zijn mest, in zijn bovenlijn, in zijn manier van eten, in zijn gedrag en soms ook in zijn mond. Een paard dat veel eet maar niet aankomt, vraagt om verder kijken. Een paard dat langzaam zijn bespiering verliest, vraagt om verder kijken. Een ouder paard dat ineens minder goed door de winter komt, vraagt om verder kijken. En een paard dat ondanks allerlei voeradviezen niet verbetert, vraagt zeker om verder kijken.
Niet in paniek. Niet meteen het ergste denken. Maar ook niet blijven gokken.
Voor mij zit daar de kern van goed voermanagement. Je begint niet bij de zak voer. Je begint bij het paard.
Als paardentandarts kijk ik natuurlijk veel naar de mond. Hoe kauwt het paard? Hoe sluiten de kiezen? Zijn er pijnlijke plekken? Zijn er diastasen waar voer tussen blijft zitten? Zijn er kiezen die ontbreken of niet meer goed functioneren? Past het beeld in de mond bij wat de eigenaar vertelt over eten, conditie en gedrag?
Maar door mijn opleidingen tot paardentaxateur en bit & bridle fitter kijk ik automatisch breder. Een paard dat schraal blijft, is niet alleen een voerprobleem. Het kan ook iets zeggen over leeftijd, belasting, spieropbouw, gezondheid, herstel, management en algemene balans.
Dat maakt het juist interessant.
Soms is de oplossing heel praktisch. Een paard apart voeren, zodat hij rust krijgt. Het ruwvoer aanpassen omdat hij het huidige hooi niet goed kan verwerken. Geweekte vezels toevoegen. De porties beter verdelen over de dag. Het gebit behandelen. De dierenarts laten meekijken. Minder zetmeel voeren. Betere eiwitkwaliteit kiezen. Of simpelweg opnieuw beoordelen of het paard nog hetzelfde nodig heeft als een paar jaar geleden.
Want wat vijf jaar geleden werkte, hoeft nu niet meer genoeg te zijn.
Dat zie je vooral bij oudere paarden. Een eigenaar voert al jaren hetzelfde en dat ging altijd goed. Tot het ineens niet meer goed genoeg is. Niet omdat de eigenaar iets fout doet, maar omdat het paard verandert. De kiezen veranderen. De opname verandert. De spiermassa verandert. De behoefte verandert. En dan moet het management mee veranderen.
Dat vind ik een belangrijk punt. Veel eigenaren voelen zich schuldig als hun oude paard schraler wordt. Maar ouderdom vraagt soms gewoon om een andere aanpak. Niet harder voeren, maar slimmer voeren. Niet blijven doen wat altijd werkte, maar opnieuw kijken naar het paard dat er nú staat.
Bij ernstige vermagering, plots gewichtsverlies, diarree, terugkerende koliekklachten, sloomheid, verdenking op PPID, hoefbevangenheid, maagproblemen of andere gezondheidsklachten hoort natuurlijk altijd een dierenarts mee te kijken. Voermanagement is belangrijk, maar het mag nooit een manier worden om pijn of ziekte over het hoofd te zien.
Mijn advies bij een schraal paard is daarom eigenlijk simpel, maar niet altijd makkelijk.
Stop met alleen maar zoeken naar de volgende zak voer.
Kijk eerst naar het paard. Kijk naar wat hij binnenkrijgt, maar ook naar wat hij daadwerkelijk opeet. Kijk naar wat hij kan kauwen, verwerken en opnemen. Kijk naar zijn lichaam, zijn leeftijd, zijn mest, zijn bovenlijn, zijn plek in de groep en zijn algemene gezondheid.
Want een paard dat schraal blijft, heeft niet altijd een vollere voerbak nodig.
Soms heeft hij een beter passende aanpak nodig.
En soms begint de oplossing pas op het moment dat we stoppen met gokken en echt gaan kijken.