Voeren begint bij kauwen
Veel paardeneigenaren vragen mij regelmatig: “Wat kan ik het beste voeren?”
En dat is eigenlijk een hele goede vraag. Want voeren lijkt simpel, maar dat is het niet altijd. Zeker niet wanneer een paard ouder wordt, schraal blijft, spiermassa verliest, proppen maakt, moeite krijgt met hooi of ondanks een volle voerbak toch niet echt vooruitgaat.
Ik vind dat je voer nooit los moet zien van het paard zelf. En zeker niet los van het gebit.
Een paard kan namelijk nog zo’n mooi rantsoen krijgen, maar als hij het niet goed kan kauwen, komt het niet goed binnen. Dan kun je de duurste brokken, slobbers, supplementen of muesli’s geven, maar als de kiezen versleten zijn, ontbreken, pijnlijk zijn of niet goed op elkaar aansluiten, dan verandert alles. Dan gaat het niet alleen meer over wat je voert, maar vooral over wat het paard daar nog mee kan.
Daarom zeg ik vaak: voeren begint bij kauwen.
Een gezond paardengebit is gemaakt om langdurig vezelrijk voer te verwerken. Een paard hoort veel kauwbeweging te maken. Door die beweging wordt voer fijngemalen, komt er speeksel vrij en wordt het voer voorbereid op de rest van de spijsvertering. Dat kauwen is dus niet zomaar een mechanisch trucje. Het is het begin van de hele opname.
Wanneer dat kauwen niet goed meer lukt, zie je dat vaak niet meteen. Een paard stopt meestal niet van de ene op de andere dag met eten. Veel paarden passen zich aan. Ze kauwen meer aan één kant, eten trager, laten wat meer vallen, maken proppen van hooi of kiezen alleen nog het zachte deel uit hun voer. Sommige paarden lijken nog prima te eten, maar verliezen ondertussen langzaam conditie. Dan lijkt het probleem in de voerbak te zitten, terwijl het probleem eigenlijk begint in de mond.
Bij oudere paarden zie ik dit regelmatig. Een paard van twintig, vijfentwintig of soms nog ouder kan nog veel levenslust hebben, maar het gebit is niet meer hetzelfde als bij een jong paard. Kiezen kunnen afslijten, losser worden, ontbreken of minder goed op elkaar aansluiten. Dan kun je niet blijven denken: hij krijgt gewoon hooi en een schep brok, dus het zal wel goed zijn. Soms is dat paard simpelweg niet meer in staat om langstengelig ruwvoer goed te vermalen.
En dan moet je dus anders gaan denken.
Niet alleen méér voeren, maar vooral voer aanbieden dat het paard nog veilig en goed kan opnemen. Denk aan geweekte ruwvoervervangers, grasbrokken, luzernebrok, bietenpulp, seniorvoer of een complete vezelrijke slobber. Niet als luxe, maar als manier om het paard toch voldoende vezels en energie binnen te laten krijgen wanneer gewoon hooi niet meer lukt.
Daarbij is weken vaak belangrijk. Niet een klein scheutje water erover en klaar, maar echt goed laten weken, zodat het voer zacht wordt en veilig gegeten kan worden. Zeker bij oudere paarden of paarden met weinig kiezen wil je verslikken voorkomen. Grote droge brokken of te haastig gevoerde producten kunnen juist weer nieuwe problemen geven.
Wat ik in de praktijk ook veel hoor, is: “Hij is zo schraal, moet ik dan merriebrok geven? Of juist maïsproducten?”
Dat is een interessante vraag, maar ook meteen een vraag waar geen standaardantwoord op past.
Een schraal paard heeft niet altijd simpelweg meer voer nodig. Soms heeft hij voer nodig dat hij eindelijk weer goed kan opnemen. Je moet kijken naar het hele plaatje. Hoe oud is het paard? Hoe is het gebit? Hoe is de mest? Hoe is de spiermassa? Is het paard echt mager, of vooral arm bespierd? Heeft het paard pijn? Is er sprake van PPID, wormdruk, maagproblemen, slechte ruwvoerkwaliteit of een rantsoen dat niet past bij de behoefte?
Merriebrok kan in sommige situaties interessant lijken, omdat daar vaak meer eiwitten, vitaminen en mineralen in zitten. Eiwitten zijn belangrijk voor spieropbouw, maar alleen eiwit voeren maakt nog geen spieren. Daarvoor heeft een paard ook voldoende energie, goede aminozuren, beweging, een passend trainingsniveau en een lichaam nodig dat het voer goed kan verwerken.
Maïsproducten leveren vooral energie. Dat kan soms nuttig zijn, maar maïs is niet automatisch de heilige graal voor een schraal paard. Zeker bij paarden die gevoelig zijn voor suiker en zetmeel, paarden met darmgevoeligheid, hoefbevangenheidsrisico, insulineresistentie of PPID moet je daar voorzichtig mee zijn. Meer energie is niet hetzelfde als beter voeren. Soms is het verstandiger om energie te halen uit goed verteerbare vezels en eventueel olie, in plaats van het paard vol te zetten met zetmeelrijke producten.
Daarom vind ik voermanagement zo boeiend. Het is niet zwart-wit. Het is kijken, wegen, voelen en nadenken.
Een oud paard met bijna geen kiezen heeft iets anders nodig dan een jong sportpaard dat bespiering moet opbouwen. Een sobere pony met aanleg voor hoefbevangenheid vraagt iets anders dan een groot paard dat moeilijk op gewicht blijft. Een paard dat slecht kauwt, vraagt iets anders dan een paard met een prima gebit maar te weinig kwaliteit in het ruwvoer. En een paard dat schraal oogt door spierverlies vraagt soms een andere aanpak dan een paard dat werkelijk te weinig vetreserves heeft.
Daarom begint goed voeradvies voor mij altijd met vragen.
Wat eet het paard nu?
Hoeveel ruwvoer krijgt hij echt?
Hoe ziet de mest eruit?
Hoe lang doet hij over zijn voer?
Laat hij voer vallen?
Maakt hij proppen?
Wordt het hooi volledig opgegeten?
Is er sprake van ouderdom?
Is het gebit recent goed gecontroleerd?
Past het rantsoen bij het werk dat het paard doet?
En misschien wel de belangrijkste vraag: kan dit paard het voer dat hij krijgt nog wel goed kauwen?
Want daar gaat het vaak mis. We kijken naar de voerbak, maar vergeten de mond. Terwijl die mond de eerste stap is van alles wat daarna komt.
Ik ben paardentandarts, maar in mijn opleidingen tot paardentaxateur en bit & bridle fitter heb ik ook voermanagement gehad. En in de praktijk komt alles bij elkaar. Een paard is geen verzameling losse onderdelen. De mond, de kaak, het bit, de bespiering, de conditie, het rantsoen en het gebruik beïnvloeden elkaar allemaal.
Een paard dat niet goed kauwt, kan schraal worden.
Een paard dat pijn heeft in de mond, kan anders gaan eten.
Een paard dat te weinig vezels binnenkrijgt, kan problemen krijgen in de spijsvertering.
Een paard dat verkeerd of te eenzijdig gevoerd wordt, kan juist te dik worden, te arm bespierd blijven of gevoeliger worden voor andere problemen.
Daarom geloof ik niet zo in snelle standaardantwoorden als: geef maar merriebrok. Of: doe er maar maïs bij. Of: geef gewoon wat extra slobber. Soms klopt dat, maar soms ook helemaal niet.
Bij een oud paard met slechte kiezen denk ik eerder aan veilige, geweekte, vezelrijke voeding die het paard nog goed kan opnemen. Bij een schraal paard kijk ik naar energie, eiwitkwaliteit, ruwvoerkwaliteit, gezondheid en gebit. Bij een paard dat spiermassa mist, kijk ik niet alleen naar eiwit, maar ook naar training, leeftijd, opname en herstel. En bij paarden met aanleg voor hoefbevangenheid of stofwisselingsproblemen wil ik juist heel voorzichtig zijn met suiker- en zetmeelrijke producten.
Goed voeren is dus niet zomaar de voerbak voller maken.
Goed voeren is begrijpen wat het paard nodig heeft én wat het paard nog kan verwerken.
En juist daar ligt voor mij de verbinding met mijn werk. Ik kijk niet alleen of er scherpe randjes aan de kiezen zitten. Ik kijk naar het hele verhaal. Hoe beweegt de kaak? Hoe sluit het gebit? Hoe kauwt het paard? Past de slijtage bij leeftijd en gebruik? Zijn er plekken waar voer blijft hangen? Zijn er aanwijzingen dat het paard al langer compenseert?
Want soms vertelt het gebit precies waarom een paard niet vooruitgaat.
Een paard dat schraal blijft, is niet altijd “moeilijk op gewicht te houden”.
Een oud paard dat proppen maakt, is niet gewoon “een beetje kieskeurig”.
Een paard dat zijn brok wel opeet maar zijn hooi laat liggen, geeft informatie.
En een paard dat langzaam minder wordt, zonder duidelijke reden, vraagt om verder kijken.
Mijn advies is daarom: kijk niet alleen naar wat je voert, maar ook naar wat je paard ermee kan.
Natuurlijk blijft voeren altijd maatwerk. Een oud paard, een schraal paard, een sportpaard of een paard met stofwisselingsproblemen vraagt niet om hetzelfde advies. Bij ernstige vermagering, verdenking op PPID, insulineresistentie, maag-darmproblemen of andere gezondheidsklachten is het altijd verstandig om ook een dierenarts of gespecialiseerde voedingsdeskundige mee te laten kijken. Maar één ding weet ik zeker: zonder goed kauwen wordt zelfs het beste voer maar half benut.
Want voeren begint niet in de voerbak.
Voeren begint bij kauwen.