Waarom een paard soms beter luistert als ik niets zeg
Ik sta niet altijd in een stal. Soms sta ik midden in een weiland.
Met nat gras aan mijn schoenen, een paard aan een halstertouw en een eigenaar die zich hardop afvraagt waar ik straks de stekker in ga steken.
“Nergens,” zeg ik dan.
“Dat is juist het idee.”
Ik werk elektrisch, ja. Maar ook volledig op accu. Geen stopcontact, geen haspels, geen ophangconstructies, geen gedoe. Ik kan letterlijk overal werken. In een stal, op het erf, in een paddock of gewoon… in het land. Dat vinden mensen soms spannend. Paarden trouwens meestal niet.
Op deze ochtend arriveerde ik gewoon netjes op tijd op stal.
Zondag. Acht uur. Eerste paard al klaar. En zoals dat dan gaat op zulke stallen: de hele dag was strak ingepland. Kwart voor negen de volgende, half tien de derde. Iedereen stond op scherp. Letterlijk en figuurlijk.
Ik liep de stal in, bepakt en bezakt, en zag de eerste klant al staan. Ze keek me aan, fronste even en zei toen:
“Oh… je bent een man.”
Ik moest lachen en deed automatisch alsof ik even aan mijn snor voelde.
“Ja,” zei ik, “dat klopt nog steeds.”
Ze aarzelde.
“Mijn paard is bang voor mannen.”
Dat is altijd zo’n zin waar ik even bij stilsta. Niet omdat ik het niet geloof — maar omdat er meestal nog iets achteraan komt.
“Waar is hij dan precies bang voor?” vroeg ik.
“Nou ja… voor de tandarts. En voor de dierenarts. En voor de hoefsmid. En eigenlijk ook een beetje voor de stalhouder.”
Ik keek haar aan en zei:
“En voor uw man?”
Ze begon te lachen.
“Ja… eigenlijk ook wel een beetje.”
Dat zijn van die momenten waarop je voelt: oké, hier gebeurt iets interessants.
Niet bij het paard. Maar ernaast.
Want paarden spiegelen. Altijd.
En meestal veel eerlijker dan wij zelf durven zijn.
(als spanning hoorbaar wordt zonder dat iemand iets zegt)
Terwijl ik mijn spullen neerzette, voelde ik het al.
Niet aan het paard — aan de lucht.
Zo’n lichte spanning die ergens tussen schouders en ademhaling blijft hangen. Bij mensen herken je dat vaak sneller dan bij paarden. Paarden zijn eerlijk. Mensen proberen het nog wel eens netjes te verpakken.
“Hij is echt lief hoor,” zei ze.
Dat is ook zo’n klassieker. Die hoort in hetzelfde rijtje als hij doet nooit wat en normaal doet hij dit nooit.
Ik liep naar het paard toe. Rustig. Geen haast. Geen groot gebaar.
Hij keek me aan, knipperde één keer en zuchtte zachtjes. Niet diep. Nog niet.
Ik zei tegen haar:
“Zullen we eerst even niks doen?”
Ze keek me aan alsof ik net had voorgesteld om eerst koffie te drinken.
“Hoe bedoel je?”
“Gewoon,” zei ik. “Even staan. Even ademhalen. Ik doe niks. Jij ook niet.”
Dat is vaak het lastigste deel van mijn werk. Niet voor het paard — voor de mens.
Want terwijl ik daar sta, gebeurt er van alles.
Niet zichtbaar. Niet spectaculair. Maar voelbaar.
Ik let op de tong. Op de kaak. Op het oog. En op wat er niet gebeurt.
Ik begon te praten. Niet tegen het paard, maar tegen haar. Over niks bijzonders. Over hoe mensen vaak denken dat een paard bang is voor mannen. Of voor tandartsen. Of voor blauwe jassen.
“Maar eigenlijk,” zei ik, “zijn ze meestal vooral goed in het overnemen van spanning.”
Ze lachte een beetje ongemakkelijk.
“Ja… ik vind het zelf ook altijd spannend.”
“Dat geeft niet,” zei ik. “Dat is heel normaal. Alleen… dan helpt het als je iets verder weg gaat staan.”
“Echt?”
“Ja,” zei ik. “Zullen we het proberen?”
Ze deed een stap achteruit.
Ik voelde aan de tong. Nog spanning.
“Nog eentje,” zei ik.
Ze deed nog een stap.
Ik voelde opnieuw. Iets minder. Maar nog niet los.
“Nog een halve,” zei ik.
Ze lachte. Maar ze deed het.
En toen gebeurde het.
De tong werd zachter.
De kaak liet los.
Het oog werd ronder.
“Laat maar,” zei ik. “Zo is het goed.”
Ze keek verbaasd.
“Nu al?”
“Ja,” zei ik. “Nu luistert hij.”
En het grappige is: ik had nog steeds niets gezegd.
Terwijl ik aan het werk ging, bleef hij rustig staan.
Niet omdat hij vastgehouden werd. Niet omdat hij “braaf moest zijn”.
Maar omdat hij niets hoefde.
Zijn mond bleef zacht. Zijn tong bleef meewerken. Zijn ademhaling zakte langzaam dieper. En het mooie is: hoe stiller het om hem heen werd, hoe makkelijker mijn werk ging.
De eigenaar stond op een afstandje te kijken. Niet meer strak. Niet meer op scherp. Haar schouders zakten. Ze ademde dieper. En ergens halverwege zei ze zachtjes:
“Hij doet dit anders nooit zo.”
Dat hoor ik vaak.
En bijna altijd bedoelen mensen hetzelfde: ik zie mijn paard nu anders.
Want paarden zijn geen lastige dieren.
Ze zijn gevoelig. Oplettend. En ontzettend goed in spiegelen.
Ze nemen over wat wij meenemen — spanning, haast, onzekerheid — maar ook rust, vertrouwen en ruimte.
En soms vraagt een paard helemaal niet om meer handelingen, meer controle of meer uitleg.
Soms vraagt hij juist om minder.
Minder vasthouden.
Minder kijken met het hoofd.
Meer voelen met het lijf.
Ik zeg vaak: paarden luisteren het best als wij even stoppen met praten.
Niet alleen met woorden, maar ook met ons lichaam.
Misschien herken je dat wel.
Dat je zelf spanning voelt, maar denkt dat het aan je paard ligt.
Dat je iets spannend vindt — de tandarts, de hoefsmid, het onbekende — en merkt dat je paard daarin meebeweegt.
Dat is geen fout. Dat is menselijk.
Maar het mooie is: net zoals spanning wordt overgenomen, gebeurt dat ook met rust.
En die rust… die hoef je niet te forceren.
Die ontstaat vanzelf, als je even niets hoeft.
En dat is misschien wel het grootste geheim van mijn werk.
Niet harder werken.
Niet sneller klaar willen zijn.
Maar eerst samen even stil worden.