marnix die het paardenhoofd controleert

Mijn zintuigen: wat ik zie vóór ik behandel

Geschreven en verteld door Marnix Brandes · Paardentandarts · Visie

Luister hier de blog

Luistertijd: 6 minuten en 45 seconden

Voordat ik ook maar één instrument in mijn hand heb, ben ik eigenlijk al aan het werk. Ik kom binnen. Zeg de eigenaar gedag. Kijk even naar het paard. En ondertussen begint het al. Hoe staat hij erbij? Wat doet hij als ik dichterbij kom? Kijkt hij even op, of trekt zijn hele lijf strak?

Veel mensen denken bij mijn werk vooral aan het vijlen. Even de kiezen bijwerken, klaar. Maar voordat ik zover ben, wil ik eerst weten wie ik voor me heb. Want ik kan technisch nog zo’n mooi plan hebben. Het paard moet er ook iets mee kunnen.

Dus ik kijk. Ik voel. Ik luister. En ja, ik ruik ook. Mijn zintuigen zijn gewoon onderdeel van mijn gereedschap. Ze hoeven alleen niet aan de oplader.

Kijken: het verhaal zonder woorden

Hoe draagt een paard zijn hoofd? Is zijn hals soepel, of houdt hij alles een beetje vast? Staat hij gelijkmatig op zijn benen? En wat verandert er als ik in zijn buurt kom? Dat zijn vaak kleine dingen. Een lip die net wat strakker wordt. Een kaak die hij aanspant. Een blik die verandert.

Soms staat een paard doodstil. Keurig braaf, zou je zeggen. Maar stil staan en ontspannen zijn, zijn twee verschillende dingen. Ik kijk daarom ook naar de ademhaling, naar de ogen en naar de rest van het lijf. Eén signaal vertelt me nooit het hele verhaal.

En dat kijken houdt niet op bij het moment waarop ik binnenkom. Hoe eet hij eigenlijk? Is hij rustig aan het kauwen, of is hij altijd als eerste klaar? Valt er veel voer uit zijn mond? Maakt hij proppen? Moet hij opvallend veel drinken tijdens het eten?

Als ik het zelf kan zien, kijk ik mee. En anders vraag ik het aan de eigenaar. Die ziet het paard tenslotte veel vaker dan ik. Ook de mest, de vacht en de bespiering kunnen aanleiding geven om verder te vragen.

Maar een schrale bespiering is geen gebitsdiagnose. En met één blik op een mesthoop weet ik ook niet hoe de kiezen erbij staan. Het zijn stukjes informatie. Samen helpen ze me om gerichter te onderzoeken.

Voelen: luisteren met mijn handen

Luisteren met mijn handen, noem ik dat weleens. Ik voel rond de kaakgewrichten en de kauwspieren. Ik neem de omgeving van het tongbeen mee en de overgang van het hoofd naar de hals. Wat voelt soepel? Waar houdt een paard spanning vast? Is een plek warmer, harder of gevoeliger dan de andere kant?

Ik probeer daar geen antwoord uit te trekken voordat ik de rest heb onderzocht. Maar mijn handen geven me wel informatie die ik met alleen kijken kan missen. En natuurlijk houd ik ondertussen het paard in de gaten. Verandert zijn ademhaling? Draait hij zijn hoofd weg? Kan hij mijn aanraking rustig toelaten, of vraagt hij eigenlijk of ik even wat minder wil?

Wat ik voel, leg ik naast wat ik zie en hoor. Ik kan aan een gespannen spier niet precies aflezen wat een paard denkt. Zo handig zijn mijn handen nou ook weer niet. Maar ik kan wel merken dat er iets verandert. En daar kan ik rekening mee houden.

Horen: aandacht voor wat er verandert

Ik luister naar de ademhaling. Naar slikken. Naar kauwen. Naar een zucht. Soms merk je dat er gaandeweg meer rust komt. Het hoofd zakt wat, de ademhaling wordt rustiger en het lijf lijkt minder vast te staan. Dat geheel vind ik waardevol.

Want ook hier geldt: een paard dat likt of kauwt, is daarmee niet automatisch ontspannen. Ik blijf naar het hele plaatje kijken. En ik luister ook naar wat mijn eigen gereedschap teweegbrengt. De elektrische vijl maakt geluid. Hij trilt. En ik kom ermee in de buurt van een gevoelig deel van het paard.

Dat is nogal wat. Dus ik zet hem niet zomaar aan met de gedachte: wen er maar aan, we moeten door. Ik kijk hoe het paard reageert. Kan ik een stapje verder? Moet ik iets meer afstand nemen? Even pauzeren?

Het tempo bouw ik op aan de hand van wat ik zie. Niet elk paard reageert hetzelfde. En ook hetzelfde paard kan op een andere dag iets anders nodig hebben. De ene keer is er meteen ruimte. De andere keer moet ik eerst even uitleggen wat de bedoeling is.

Zonder woordenboek. Met tijd.

Ook de eigenaar vertelt mee

Wat is er veranderd? Voelt het paard tijdens het rijden sterker aan één kant? Houdt hij het bit vast? Wordt hij zwaar op de hand, of juist onrustig in de aanleuning? Gaan bepaalde wendingen lastiger? Of zegt iemand: ik kan er mijn vinger niet op leggen, maar hij voelt anders dan anders?

Dat neem ik serieus. Het betekent niet meteen dat de oorzaak in de mond zit. Maar het is wel informatie die ik wil meenemen. Ik zie het paard op dat ene moment. De eigenaar kent ook de dagen ervoor. Soms de jaren ervoor.

Dan zou het toch zonde zijn om alleen naar de kiezen te luisteren.

Ruiken: mijn neus helpt me zoeken

Niet het meest romantische onderdeel van mijn vak, maar het hoort erbij. Een afwijkende geur uit de mond kan aanleiding zijn om extra goed te onderzoeken. Bijvoorbeeld of er ergens voer vastzit, of dat ik iets anders tegenkom dat aandacht nodig heeft.

Soms valt een geur al op voordat ik precies heb gezien waar die vandaan komt. Maar ook een mond die niet opvallend ruikt, moet gewoon onderzocht worden. Mijn neus helpt me zoeken. Hij vervangt het onderzoek niet.

En mijn zesde zintuig dan?

Dat klinkt meteen alsof ik met een glazen bol de stal binnenkom. Die heb ik niet. De bus is al vol genoeg. Wat ik wel heb, is ervaring. Heel veel momenten waarop ik heb gekeken, gevoeld, geluisterd en mijn aanpak heb aangepast.

Daaruit groeit een soort vakgevoel. Soms denk ik: ja, we kunnen verder. En soms denk ik: wacht even. Ik wil eerst nog iets controleren. Of ik moet mijn tempo aanpassen. Dat gevoel neem ik serieus. Maar ik blijf het toetsen aan wat ik daadwerkelijk kan waarnemen.

Ervaring helpt me vragen stellen. Ze geeft me geen vrijbrief om zomaar iets zeker te weten.

Waarom dit vóór het vijlen komt

Omdat het bepaalt hoe ik behandel. Het helpt me kiezen waar ik ga staan, hoe ik het contact opbouw, wanneer ik pauze neem en hoeveel ik op dat moment van een paard kan vragen. Soms lijkt het alsof er nog weinig gebeurt.

Ik sta wat te kijken. Leg mijn handen op het hoofd. Praat met de eigenaar. Maar ondertussen ben ik volop bezig. En ook tijdens de behandeling blijf ik dat doen. Ik houd niet op met luisteren zodra ik een vijl vastheb.

Een paard moet ruimte houden om te reageren. Als ik de kleine signalen opmerk, kan ik mijn aanpak aanpassen voordat de spanning verder oploopt. Dat vraagt aandacht. En soms wat extra tijd. Maar die tijd hoort voor mij gewoon bij het werk.

Want voordat ik kan bepalen wat ik aan een gebit wil doen, wil ik begrijpen hoe dit paard erbij staat.

Daar begint het.

De vijl komt wel.

Eerst het paard.

;