onderzoek 2

Het zat niet in het gebit

Waarom een klacht rond de mond soms ergens anders begint

Soms komt een eigenaar met een heel duidelijk verhaal. “Hij pakt het bit vast.” “Hij is links ineens veel sterker.” “Nageven wordt lastig.” “Bij een ophouding gooit hij zijn hoofd omhoog.” En eerlijk gezegd vind ik dat soort informatie heerlijk, want daar kan ik iets mee.

Ik stel tijdens een controle dan ook altijd veel vragen. Natuurlijk wil ik weten hoe een paard eet, of het proppen maakt, knoeit of ineens anders maalt. Maar ik wil net zo goed weten wat er tijdens het rijden gebeurt. Waar loopt iemand tegenaan? Wanneer gebeurt het? Aan één kant of aan beide kanten? Houdt het paard het bit vast, wordt hij sterk, wil hij niet fijn nageven of komt er ergens weerstand in de ophouding?

Dat zijn voor mij geen losse opmerkingen. Daar ga ik van denken.

Stel dat iemand zegt: “Hij pakt het bit vast en gooit zijn hoofd omhoog.” Dan gaat er bij mij meteen een lampje branden. Niet omdat ik dan al weet wat er aan de hand is, maar omdat zo’n reactie kán passen bij ongemak verder achter in de mond. Als daar scherpe delen of punten zitten die tijdens bepaalde bewegingen prikken, dan kan een paard heel logisch proberen dat te ontwijken. Bit vastpakken, hoofd omhoog, kaak blokkeren. Paarden zijn daar behoorlijk creatief in.

En nee, dat betekent natuurlijk niet dat ieder paard dat zijn hoofd omhoog gooit meteen een probleem op de achterste kiezen heeft. Was het maar zo makkelijk. Dan konden we met drie vragen aan de telefoon klaar zijn en kon ik de bus gewoon thuis laten staan.

Maar het helpt wel om gericht te kijken.

En daar merk ik iedere keer weer hoe fijn het is dat mijn kennis inmiddels veel verder reikt dan alleen tanden en kiezen. Door mijn opleiding in bit- en hoofdstelfitting kijk ik automatisch ook naar hoe het bit ligt, waar het hoofdstel druk geeft en wat er tijdens het rijden gebeurt. En mijn taxatiekennis helpt me weer op een heel andere manier. Ik ben gewend om te kijken naar bouw, ruglijn, stand van de benen, bespiering en het bewegingsapparaat als geheel.

Dat klinkt misschien alsof ik half paard en half röntgenapparaat ben geworden, maar het is vooral handig omdat je sneller verbanden gaat zien.

Je kijkt niet alleen naar een mond en denkt: daar zal het wel zitten. Je kijkt naar het hele plaatje en vraagt jezelf af: klopt het verhaal?

Soms wel.

Dan vertelt de eigenaar precies waar het paard tijdens het rijden tegenaan loopt en vind ik in de mond iets wat daar heel logisch bij past. Dan vallen de puzzelstukjes mooi op hun plek en denk je: ja, dit verklaart veel.

Maar soms dus helemaal niet.

Dan onderzoek ik de kaak, de kauwspieren, de mond, de slijtage, de tong, de wangen en alles wat ik verder kan beoordelen en kom ik uiteindelijk tot de conclusie: nee, dit gebit vertelt mij niet waarom dit paard zich zo gedraagt.

En dan vind ik het belangrijk om dat ook gewoon te zeggen.

Ik ga niet ineens iets in de mond verzinnen omdat ik toevallig paardentandarts ben.

Als ik het niet kan verklaren, dan kan ik het niet verklaren.

Dat is misschien minder spectaculair dan een grote ontdekking, maar het is wel eerlijk. En juist dan helpt die bredere kennis mij enorm. Want als het niet in de mond zit, kan ik wel meedenken in een andere richting. Heb je het zadel al eens laten controleren? Zit er spanning in de rug of schouders? Zou een osteopaat of masseur eens mee moeten kijken? Zie je iets in de beweging of in de stand van het paard dat aandacht verdient?

Dat zijn geen diagnoses die ik dan even tussen neus en lippen door uitdeel. Daar geloof ik niet in.

Maar ik kan wel helpen om de volgende deur te vinden.

En eerlijk gezegd vind ik dat één van de leukste kanten van mijn werk. Het paard is immers één geheel. De mond hangt niet los ergens aan de voorkant alsof je die er ’s avonds af kunt schroeven en op de werkbank kunt leggen. Wat in de mond gebeurt kan invloed hebben op hoe een paard zich houdt en beweegt, maar andersom kan spanning of ongemak elders in het lichaam ook invloed hebben op gedrag rond de mond en het rijden.

Hoe breder je kunt kijken, hoe beter je soms kunt begrijpen waarom een paard iets doet.

Daar heb ik in de praktijk echt veel aan.

Mijn bit- en hoofdstelkennis helpt me om signalen rond de mond beter te duiden. Mijn taxatiekennis helpt me om bouw, rug, benen en beweging mee te nemen in het totaalbeeld. En mijn ervaring met duizenden paarden helpt dan weer om te voelen wanneer een verhaal logisch klinkt en wanneer er ergens een stukje ontbreekt.

Dat betekent niet dat ik ineens alles zelf ga behandelen.

Integendeel.

Juist doordat ik breder kijk, weet ik ook beter wanneer iets níét bij mij hoort.

En dat vind ik vakmanschap.

Niet koste wat kost iets willen vinden omdat iemand met een klacht komt. Niet denken: ik ben hier voor het gebit, dus het móét wel het gebit zijn. Maar durven zeggen: ik zie hier niets wat dit verhaal voldoende verklaart, laten we eens verder kijken.

Voor een eigenaar kan dat soms even onbevredigend voelen. Die belt tenslotte omdat er iets aan de hand is en hoopt natuurlijk op een duidelijke oorzaak. Maar uitsluiten is óók informatie.

Als ik redelijk zeker kan zeggen dat het gebit dit gedrag niet verklaart, dan hebben we in ieder geval één deur dicht. En dat maakt het makkelijker om de volgende te openen.

Soms zit de oplossing dus niet in wat ik behandel, maar in wat ik juist níét behandel.

En misschien is dat wel precies waarom ik zo blij ben dat mijn kennis niet stopt bij de mond.

Ik behandel het gebit.

Maar ik probeer altijd het hele paard te begrijpen.

Want uiteindelijk is dat paard één geheel.

En als het verhaal niet in de mond eindigt, dan moet je soms gewoon verder durven kijken.

;