Wat gebeurt er eigenlijk tijdens één maalbeweging?
Over kaak, kiezen, tong, speeksel en slikken als één systeem
Een paard pakt een pluk hooi, begint te kauwen en voor ons lijkt dat de normaalste zaak van de wereld. Hoofd naar beneden, rustig malen, af en toe slikken en klaar. Maar als je één zo’n maalbeweging eens helemaal uit elkaar zou trekken, gebeurt er in die mond eigenlijk ontzettend veel tegelijk.
De onderkaak beweegt niet alleen op en neer, maar ook zijwaarts. De kiezen maken contact, het voer wordt tussen de kauwvlakken fijngemalen, de tong verplaatst het voedsel steeds opnieuw naar de juiste plek en speeksel zorgt ervoor dat alles soepel genoeg wordt om uiteindelijk doorgeslikt te kunnen worden. Het lijkt simpel, maar feitelijk draait daar een complete voerfabriek.
En het mooie is dat alles precies op het juiste moment moet samenwerken.
Wanneer een paard goed maalt, zie je een mooie, vrije beweging van de onderkaak. Niet alleen openen en sluiten, maar echt een rollende, zijwaartse beweging waarbij de kiezen beurtelings contact maken. Dat contact is nodig om vezels klein te krijgen. Een paard leeft voor een groot deel van ruwvoer en dat moet behoorlijk grondig worden verwerkt voordat het verder het maagdarmkanaal in kan.
De kiezen doen daarbij natuurlijk veel van het zware werk, maar ze doen het nooit alleen. De tong is misschien wel één van de meest onderschatte spelers in het geheel. Die ligt niet zomaar wat in de mond te wachten tot het eten klaar is. De tong duwt, draait, verplaatst en positioneert het voer voortdurend opnieuw. Zonder die beweging zou het hooi nooit netjes tussen de kiezen terechtkomen en zou er van efficiënt malen weinig terechtkomen.
En dan is er nog het speeksel. Daar denken we vaak pas aan als een paard schuimt rond het bit, maar tijdens het eten is speeksel minstens zo belangrijk. Het maakt het voer vochtig, helpt bij het vormen van een voedselbolus en zorgt ervoor dat het geheel uiteindelijk makkelijker kan worden doorgeslikt. Hoe meer een paard kauwt, hoe meer speeksel er wordt geproduceerd. Kauwen en speeksel horen dus letterlijk bij elkaar.
Daarom kijk ik bij een paardengebit ook nooit alleen naar de tanden en kiezen als losse onderdelen. Ik wil weten of die hele samenwerking nog vrij kan verlopen. Kan de onderkaak voldoende naar links en rechts bewegen? Is er ergens een overgroeiing die de beweging remt? Zit er een scherpe rand die tegen de wang of tong schuurt? Is er spanning in de kauwspieren? Kan de tong vrij bewegen of zie je dat het paard ergens steeds omheen probeert te werken?
Dat soort dingen zeggen mij vaak meer dan alleen de vraag of een kies er “mooi” uitziet.
Want daar zit voor mij ook meteen het verschil tussen een gebit dat er technisch netjes uitziet en een gebit dat functioneel goed werkt. Een paardengebit hoeft niet perfect glad te zijn en het hoeft ook niet aan beide kanten exact hetzelfde te zijn. Maar het moet wel ruimte geven aan een natuurlijke maalbeweging. Zodra iets die beweging structureel beperkt, gaat het paard een oplossing zoeken. En zoals we inmiddels weten: paarden zijn daar behoorlijk goed in.
Misschien wordt de maalbeweging wat kleiner. Misschien gaat het paard één kant wat meer gebruiken. Misschien verplaatst de tong het voer anders of verandert het tempo van eten. Soms zie je daar meteen iets van en soms helemaal niet. En juist daarom vind ik het zo interessant om een paard gewoon eens tijdens het eten te bekijken.
Je hoeft daarvoor niet meteen met een lamp in de mond te hangen. Gewoon even kijken naar wat de kaak doet, hoe het paard zijn voer verwerkt en of er iets opvalt, vertelt vaak al verrassend veel.
Ik heb daar ooit tijdens een ponykamp een groep kinderen tussen de zes en twaalf jaar iets over verteld. Nou ja, “lezing” is misschien een groot woord. Want als ik daar begin over 206 en 206, diastasen en een protuberante 308, dan ben ik ze na drie minuten natuurlijk compleet kwijt. Dus ik vroeg eerst maar eens of ze tijdens het kamp ook hielpen met voeren.
Volmondig kwam het antwoord: “Jaaaaaa!”
Mooi, zei ik. Dan moeten jullie één zin goed onthouden:
Vijf minuten voeren is vijftien minuten loeren.
Kijk hoe een pony eet. Knoeit hij? Maakt hij propjes? Drinkt hij opvallend veel? Gaat het kauwen makkelijk? En zie je iets aparts, dan ga je gauw naar de juf en zeg je dat ze mij moeten bellen. 😉
Daar moesten ze natuurlijk om lachen, maar eerlijk gezegd vind ik het nog steeds een prima les. Want je hoeft geen paardentandarts te zijn om tijdens het voeren al iets op te merken. Juist daar zie je vaak de eerste kleine signalen.
Een paard dat normaal rustig en ritmisch eet en ineens veel knoeit, proppen maakt of opvallend anders met zijn kaak beweegt, vertelt iets. Dat hoeft niet automatisch een gebitsprobleem te zijn, maar het is wel informatie. En hoe eerder je zulke veranderingen ziet, hoe beter je kunt beoordelen of er iets mee moet gebeuren.
Dat is ook waarom ik tijdens een onderzoek graag informatie van buiten en binnen de mond naast elkaar leg. Eerst kijken hoe het paard functioneert, daarna pas beoordelen wat ik in de mond zie. Dan wordt een scherpe rand niet zomaar een scherpe rand, maar misschien precies het stukje dat past bij de beperking die je buiten de mond al zag. Of juist helemaal niet, en dan moet je daar ook eerlijk in zijn.
Een goede gebitsbehandeling is voor mij daarom veel meer dan alleen wat punten wegwerken. Je probeert het hele systeem weer zo vrij mogelijk te laten functioneren. Niet door alles gelijk te maken, maar door te kijken waar de beweging wordt gehinderd en daar gericht iets aan te doen.
Eigenlijk is één maalbeweging dus een klein wondertje van samenwerking. De kaak beweegt, de kiezen malen, de tong stuurt, het speeksel ondersteunt en uiteindelijk wordt alles netjes doorgeslikt. Als dat goed verloopt, denken we er geen seconde over na. Pas wanneer ergens in die keten iets minder goed gaat, merken we hoe bijzonder dat hele systeem eigenlijk is.
En misschien is dat wel de belangrijkste reden waarom ik zo graag naar een paard kijk vóórdat ik ga behandelen.
Want soms vertelt één rustige maalbeweging al een heel verhaal.
Niet alleen over de tanden, maar over de hele mond die samen aan het werk is.