schuim op mond

Wat speeksel mij vertelt

Er zijn van die dingen in een paardenmond waar bijna niemand ooit echt bij stilstaat. Totdat je er eenmaal aandacht voor krijgt en ineens denkt: hoe kan het eigenlijk dat ik dit altijd zo vanzelfsprekend heb gevonden?

Speeksel is er zo eentje.

Ik kijk er tijdens een gebitsonderzoek regelmatig naar. Niet omdat ik na al die jaren een bijzondere hobby heb ontwikkeld voor paardenkwijl — er zijn grenzen — maar omdat speeksel veel meer vertelt dan je op het eerste gezicht zou denken. Hoe vochtig voelt de mond aan, hoe beweegt de tong, hoe makkelijk slikt het paard, is het speeksel dun en waterig of juist wat taaier? Het zijn allemaal kleine dingen die ik tijdens een onderzoek meeneem zonder er meteen één grote conclusie aan te hangen.

Zo simpel werkt een paardenmond namelijk niet. Speeksel is geen diagnose, maar het is wel informatie. En hoe meer je erover weet, hoe interessanter het wordt.

Een paard is gebouwd om vele uren per dag vezelrijk voer te verwerken. Hooi ziet er voor ons misschien niet zo ingewikkeld uit. Het ligt in een net, het paard eet het op en klaar. Maar probeer zelf maar eens een flinke pluk droog hooi fijn te malen en zonder iets te drinken naar binnen te werken. Ik vermoed dat het enthousiasme na de eerste hap al aardig verdwenen is.

Een paard heeft daar gelukkig een veel slimmer systeem voor.

Terwijl de kiezen het voer steeds fijner malen, is de tong voortdurend bezig om dat voer te verplaatsen en opnieuw tussen de kiezen te brengen. Tegelijkertijd wordt er speeksel aan toegevoegd. Langzaam verandert die droge pluk hooi zo in een vochtige voedselmassa die uiteindelijk veilig richting keel kan worden gebracht en doorgeslikt.

Speeksel is dus helemaal geen toevallig bijproduct van het eten. Het hoort bij het hele systeem van malen en slikken.

Een paard heeft verschillende speekselklieren die samen dagelijks vele liters vocht kunnen produceren. Vooral het kauwen is daarbij een belangrijke stimulans. Dat maakt langdurig ruwvoer eten niet alleen belangrijk omdat een paard ermee bezig is en zijn vezels binnenkrijgt, maar ook omdat al die maalbewegingen voortdurend de speekselproductie aanjagen.

En dat speeksel doet ondertussen veel meer dan alleen hooi natmaken. Het smeert het voedsel, helpt bij het vormen van een goede voedselbolus, beschermt de zachte weefsels in de mond en bevat onder andere bicarbonaat, dat helpt bij het bufferen van zuren. Ook rond tanden en kiezen draagt speeksel bij aan het milieu waarin die tanden de hele dag moeten functioneren.

Als je het zo bekijkt, is dat beetje kwijl ineens behoorlijk waardevol spul.

Wat ik zelf heel leuk vind, is dat speeksel ook helemaal niet altijd hetzelfde is. De verschillende speekselklieren leveren namelijk niet exact dezelfde vloeistof. Sommige produceren vooral dun en waterig speeksel, terwijl andere ook meer slijmachtige bestanddelen toevoegen. Daar zitten onder andere mucinen in: grote eiwitten die water vasthouden en ervoor zorgen dat speeksel kan smeren en beschermen.

Dat helpt verklaren waarom speeksel het ene moment bijna waterig kan zijn en op een ander moment wat taaier of draderiger aanvoelt.

Tot zover denk je misschien: aardig weetje.

Maar toen kwam ik tijdens het verdiepen in speeksel een eiwit tegen waarvan ik dacht: kijk, nú wordt het leuk.

Latherin.

Alleen de naam klinkt al alsof iemand hem bedacht heeft nadat hij een paard flink had zien schuimen.

Latherin is een bijzonder oppervlakte-actief eiwit dat bij paarden zowel in het speeksel als in het zweet voorkomt. Het verlaagt de oppervlaktespanning van water, waardoor vocht zich makkelijker over een oppervlak kan verspreiden. Voor een dier dat een groot deel van de dag droog en vezelig plantenmateriaal moet verwerken, is dat eigenlijk briljant. Het helpt het speeksel makkelijker tussen die vezels te komen en het voer te bevochtigen.

Het paard heeft dus min of meer zijn eigen ingebouwde bevochtigingssysteem.

Geen flesje nodig, geen abonnement, gewoon standaard bijgeleverd.

Maar latherin heeft nog een eigenschap die voor vrijwel iedere ruiter heel herkenbaar is: vloeistof waarin zo’n oppervlakte-actief eiwit zit kan bij beweging en vermenging met lucht makkelijk schuimen.

En daarmee komen we vanzelf bij dat beroemde witte randje rond de mond van een gereden paard.

Daar hebben we in de paardenwereld in de loop der jaren behoorlijk wat betekenis aan gegeven. Een paard met een mooi wit schuimrandje zou lekker ontspannen zijn, fijn op het bit kauwen en het bit goed accepteren. En laat ik meteen zeggen: dat kan best zo zijn. Een ontspannen paard kan absoluut een beetje schuim rond de lippen krijgen.

Alleen bewijst dat schuim op zichzelf helemaal niet dat het paard ontspannen is.

Dat vind ik misschien wel het interessantste deel van het hele verhaal.

Om schuim te krijgen heb je namelijk in de basis niet veel meer nodig dan speeksel, beweging en lucht. De tong beweegt, de lippen bewegen en de onderkaak beweegt. Wanneer er een bit in de mond ligt, kan dat bovendien extra mondactiviteit veroorzaken. Het speeksel wordt heen en weer bewogen, er raakt lucht doorheen en latherin helpt vervolgens om van die vloeistof een mooie witte schuimlaag te maken.

Of, zoals ik hem inmiddels graag noem: de paardencappuccino.

Het grappige is alleen dat die cappuccino ons niets vertelt over de reden waarom er in de mond zoveel beweging is.

Stel dat je twee paarden ziet rijden. Het eerste paard heeft een rustige mond, een zachte kaak, slikt normaal en lijkt comfortabel met het contact. Het tweede paard beweegt voortdurend met zijn tong, opent regelmatig zijn mond en is zichtbaar bezig met het bit.

Aan het einde van de rit kunnen ze allebei schuim rond de lippen hebben.

Het uiterlijk kan dus hetzelfde zijn, terwijl het verhaal erachter totaal anders is.

Daarom vind ik schuim geen rapportcijfer. Veel schuim betekent niet automatisch een negen voor ontspanning en geen schuim betekent ook niet dat een paard gezakt is voor bitacceptatie. Was het maar zo gemakkelijk. Dan hoefden we naast de dressuurbaan alleen nog iemand neer te zetten met een schuimscore en waren we snel klaar.

Maar er zit nog een ander interessant stukje aan.

Wanneer wij veel schuim rond de mond zien, denken we al snel dat het paard blijkbaar veel speeksel produceert. Dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Wat je aan de buitenkant ziet wordt namelijk niet alleen bepaald door hoeveel de speekselklieren maken, maar ook door wat er daarna met dat speeksel gebeurt.

Hoeveel beweegt de tong ermee? Hoeveel lucht wordt erdoor gemengd? Hoe vaak slikt het paard het weg?

Een paard kan behoorlijk veel dun speeksel maken, het regelmatig doorslikken en aan de buitenkant nauwelijks iets laten zien. Een ander paard kan met een kleinere hoeveelheid speeksel veel bewegen met tong en lippen, er flink wat lucht doorheen werken en vervolgens met een indrukwekkende witte rand rond de mond lopen.

Wie van die twee maakt het meeste speeksel?

Dat kun je door alleen naar de buitenkant te kijken niet weten.

En dát vind ik een belangrijke gedachte: schuim vertelt vooral iets over wat er met speeksel gebeurt, niet rechtstreeks hoeveel ervan geproduceerd wordt.

Ook het bit en het hoofdstel horen daarbij. Onderzoek laat zien dat een bit mond- en tongbewegingen kan uitlokken en dat teugeldruk dat gedrag kan veranderen. Dat betekent niet dat ieder bit ongemak veroorzaakt, maar het betekent wel dat een kauwbeweging niet automatisch hetzelfde is als ontspanning.

Een paard kan met zijn tong bewegen omdat hij comfortabel is, maar hij kan ook bewegen omdat hij iets probeert op te lossen.

Dat ziet er vanaf de buitenkant soms verrassend hetzelfde uit.

Hetzelfde geldt voor het hoofdstel. Wanneer een neusriem heel strak zit, kan dat invloed hebben op hoe vrij een paard met zijn kaak en mond kan bewegen en dus ook op likken, kauwen en slikken. Daarom kijk ik nooit alleen naar het bit. Een bit ligt niet los in een lege ruimte, maar maakt onderdeel uit van een mond waarin tong, lippen, lagen, tanden, kiezen en zachte weefsels allemaal tegelijk een plek moeten vinden.

En precies daarom wordt speeksel voor mij pas echt interessant wanneer ik naar het hele plaatje kijk.

Dat geldt tijdens het rijden, maar ook tijdens mijn eigen gebitsonderzoek. Soms is een paardenmond opvallend nat. Dat kan betekenen dat er veel speeksel geproduceerd wordt, maar het kan ook betekenen dat het paard het minder makkelijk doorslikt. Bij ernstige slikproblemen kan speeksel zelfs weer uit mond of neus naar buiten komen.

Een natte mond vertelt dus niet automatisch waarom hij nat is.

En andersom is een droge mond ook niet automatisch een bewijs dat een paard gespannen is. Hydratatie, kauwen, activiteit en allerlei andere factoren kunnen invloed hebben op wat je in de mond aantreft.

Ook op dat gebied vind ik het verleidelijk om niet te snel een mooi verhaal te verzinnen.

Wat trouwens wél bijzonder is, is dat wetenschappers in paardenspeeksel stoffen kunnen meten die informatie geven over stressreacties, zoals cortisol en andere biomarkers. Speeksel wordt dus daadwerkelijk gebruikt in onderzoek naar welzijn en stress.

Alleen moet je daar meteen iets belangrijks bij zeggen: dan gaat het om de chemische samenstelling van speeksel die in een laboratorium wordt gemeten.

Niet om de hoeveelheid wit schuim die wij vanaf de rand van de rijbaan zien.

Ik kan tijdens een behandeling dus helaas niet even naar een draadje speeksel kijken en zeggen: “Zo, de cortisol staat vandaag wat hoog.”

Jammer eigenlijk. Het zou mijn gereedschapskist een stuk kleiner maken.

En zo kom ik steeds weer bij dezelfde conclusie uit. Speeksel vertelt ontzettend veel, maar nooit helemaal alleen. Het krijgt pas betekenis wanneer je ook kijkt naar de tong, de beweging van de kaak, het slikken, de ruimte in de mond, het slijmvlies en — wanneer er gereden wordt — het bit en het hoofdstel.

Dat is misschien wel wat ik zo leuk vind aan een paardenmond. Je begint bij iets doodnormaals als speeksel en voordat je het weet zit je midden in een verhaal over speekselklieren, eiwitten, voedselverwerking, tanden, tongbeweging, slikken en bitgebruik.

En dan kijk je ineens heel anders naar dat witte randje langs de lippen.

Niet meer alleen: kijk eens, hij schuimt mooi.

Maar: wat gebeurt daar eigenlijk?

Misschien loopt dat paard heerlijk ontspannen. Misschien produceert hij wat speeksel, beweegt rustig met zijn tong en ontstaat er vanzelf een klein beetje schuim.

Maar misschien vertelt diezelfde witte rand bij een ander paard een heel ander verhaal.

En precies daarom wil ik geen oordeel ophangen aan één klodder schuim.

Want schuim is geen diploma voor ontspanning en het is ook geen bewijs van spanning.

Het is speeksel dat ergens vandaan komt, in beweging is gebracht, met lucht is vermengd en nog niet is doorgeslikt.

En zodra je dát begrijpt, is zo’n simpel wit randje ineens een stuk interessanter dan je ooit had gedacht.

;