tedere omhelzing

Less is more

Waarom ik steeds vaker alleen behandel wat het gebit zelf niet oplost

Hoe langer ik met paardengebitten werk, hoe vaker ik mezelf tijdens een behandeling dezelfde vraag stel: moet ik hier eigenlijk wel iets aan doen?

Dat klinkt misschien een beetje vreemd uit de mond van een paardentandarts. Je komt tenslotte voor een gebitsbehandeling en dan verwacht je misschien ook dat er behandeld wordt. Toch ben ik daar in de loop der jaren steeds anders naar gaan kijken. Niet alles wat je in een mond ziet hoeft gecorrigeerd te worden en niet ieder randje dat je voelt hoeft automatisch weg.

Sterker nog, ik merk dat ik mezelf steeds vaker hoor zeggen: less is more.

Een paardengebit is namelijk geen stilstaand geheel. Het is voortdurend in beweging. Een paard kauwt vele uren per dag en tijdens dat kauwen bewegen onder- en bovenkaak langs elkaar heen. Voer wordt fijngemalen, kiezen maken contact en tegelijkertijd vindt er slijtage plaats. Om die slijtage te compenseren komen de tanden en kiezen gedurende een groot deel van het leven steeds verder uit de tandkas naar boven.

Eigenlijk is dat een prachtig systeem. Het gebit onderhoudt zichzelf voor een groot deel gewoon tijdens het dagelijkse kauwen.

En juist dát is voor mij steeds meer het uitgangspunt geworden.

Ik kijk niet meer als eerste naar wat ik allemaal zou kunnen veranderen. Ik kijk vooral naar waar dat natuurlijke systeem ergens is vastgelopen. Waar heeft het gebit iets niet zelf kunnen oplossen? Waar is door stand, slijtage of beweging iets ontstaan dat niet meer vanzelf weggaat?

Ik noem dat tegenwoordig weleens gekscherend: de dingen die het gebit vergeten is zelf weg te malen.

Dat kan een scherpe rand zijn, een haak, een overgroeiing of een plek waardoor de onderkaak minder vrij kan bewegen. Soms is zo’n afwijking heel duidelijk en soms stelt het op het eerste gezicht maar weinig voor. Toch kan juist zo’n kleine plek ervoor zorgen dat een paard tijdens iedere kauwbeweging moet compenseren.

Dáár wil ik iets mee.

Maar daarnaast zie ik natuurlijk ook heel veel tanden en kiezen die gewoon prima hun werk doen. Ze maken goed contact, slijten op een natuurlijke manier en leveren geen problemen op. En hoe meer ervaring ik krijg, hoe sterker mijn gevoel wordt dat je daar vooral respect voor moet hebben.

Want waarom zou ik iets veranderen wat al goed functioneert?

Een paardengebit hoeft van mij ook helemaal niet perfect recht of volledig symmetrisch te zijn. Een mond is geen tegelvloer die je overal even vlak moet maken. Iedere kies heeft zijn eigen vorm, er zijn kleine verschillen in hoogte en slijtage en links en rechts zijn zelden volledig hetzelfde.

Dat hoeft ook niet.

Waar ik veel meer in geïnteresseerd ben, is de functie. Kan het paard zijn kaak vrij bewegen? Kan het goed malen? Zijn er plekken die gevoelig of pijnlijk zijn? Zie ik slijtage die zichzelf steeds verder uit balans trekt? Zit er ergens iets wat de natuurlijke beweging tegenhoudt?

Dat zijn voor mij belangrijkere vragen dan of een gebit er na afloop mooi glad of gelijkmatig uitziet.

Daar komt nog iets bij wat ik steeds belangrijker ben gaan vinden: alles wat ik weghaal, is weg.

Tandweefsel kan ik niet terugzetten. Daarom moet er eigenlijk bij iedere correctie een reden zijn. Niet omdat ik toevallig toch bezig ben, niet omdat iets mooier kan en ook niet omdat het technisch mogelijk is. Ik wil dat wat ik doe iets toevoegt aan de functie, de bewegingsvrijheid of het comfort van het paard.

Soms betekent dat dat een heel kleine correctie precies genoeg is.

En soms betekent goed behandelen juist dat je ergens niets aan doet.

Dat klinkt misschien weinig spectaculair. Toch zit daar voor mij steeds meer vakmanschap in. Niet in zoveel mogelijk veranderen, maar in begrijpen wat je ziet en weten wanneer je genoeg hebt gedaan.

Dat is ook de reden waarom mijn gebitscontrole niet pas begint wanneer de mondspreider erin gaat. Ik kijk eerst naar het paard zelf. Hoe beweegt de kaak? Hoe voelen de kauwspieren? Waar zit spanning? Hoe reageert het paard wanneer ik bepaalde structuren voel? Hoe verloopt de maalbeweging?

Pas daarna ga ik verder de mond in.

Want een tand of kies staat nooit helemaal op zichzelf. Soms zie je iets waarvan je in eerste instantie denkt dat het gecorrigeerd moet worden, maar blijkt het in het totaalbeeld nauwelijks een rol te spelen. En andersom kan een klein afwijkend stukje precies de plek zijn die een grotere beweging verstoort.

Dat maakt dit werk voor mij ook zo interessant. Hoe langer je ermee bezig bent, hoe minder het alleen maar gaat over tanden en kiezen.

Het gaat over kijken, voelen, vergelijken en proberen te begrijpen wat het paardengebit zelf al die tijd heeft geprobeerd te doen.

Misschien is dat wel de grootste verandering in mijn eigen manier van behandelen. In het begin van je vak kijk je al snel naar wat je allemaal kunt corrigeren. Naarmate je meer monden ziet, verschuift die aandacht steeds verder naar wat je vooral moet behouden.

Want als je erover nadenkt, doet het grootste gedeelte van een gezond paardengebit iedere dag gewoon precies wat het moet doen.

Zonder mijn hulp.

En eigenlijk vind ik dat een heel mooie gedachte.

Ik hoef het gebit niet over te nemen. Ik hoef het niet opnieuw te ontwerpen en ik hoef het ook niet mooier te maken dan de natuur het bedoeld heeft. Mijn taak is vooral om te helpen op de plekken waar het natuurlijke slijtageproces ergens tekortschiet.

Een scherpe rand die niet vanzelf verdwijnt. Een overgroeiing die de beweging begint te beperken. Een afwijking waardoor het paard telkens opnieuw moet compenseren.

Dat corrigeer ik.

En daarna laat ik het gebit het liefst weer zelf verder gaan.

Voor mij betekent less is more daarom absoluut niet dat je minder zorgvuldig behandelt. Eigenlijk juist het tegenovergestelde. Om weinig te doen, moet je eerst heel goed weten waarom je iets níét doet. Je moet begrijpen wat je ziet, voelen wat er gebeurt en soms ook de verleiding kunnen weerstaan om iets te veranderen alleen omdat het kan.

Hoe langer ik dit werk doe, hoe meer ik waarde hecht aan alles wat in een mond nog gewoon goed functioneert.

Ik probeer niet zoveel mogelijk te behandelen.

Ik probeer vooral het goede goed te laten.

En misschien is dat uiteindelijk wel de eenvoudigste omschrijving van hoe ik tegenwoordig naar een paardengebit kijk:

ik behandel wat het gebit zelf vergeten is weg te malen.

De rest laat ik het liefst gewoon doen waar het al jaren heel goed in is.

;