2b7880df 2afa 4d99 b258 ef0d898cf8ce

“Hij doet dit normaal nooit” — en andere klassiekers op stal

Als ik één ding heb geleerd in al die jaren op stal, dan is het dit: paarden verschillen enorm, maar de zinnen die mensen zeggen verrassend weinig.

Ik kom op veel verschillende plekken. Grote sportstallen, kleine privéstallen, een erf achter het huis, een weiland waar de koffie uit een thermoskan komt. Andere mensen, andere paarden, andere sfeer — en toch hoor ik vaak precies hetzelfde.

Ik stap het erf op, groet iedereen, zet mijn spullen neer. Het paard staat klaar, zenuwachtig heen en weer bewegend met de eigenaar ernaast. En nog voordat ik iets heb aangeraakt, hoor ik vaak de eerste al:

“Hij doet dit normaal nooit hoor.”

Dat is meestal het moment waarop ik even moet oppassen dat ik niet hardop lach. Niet omdat ik die zin niet geloof — juist wel — maar omdat ik hem inmiddels zó vaak heb gehoord dat hij bijna standaard onderdeel van de afspraak is geworden. Net als mijn hoofdlamp en mijn emmers.

Ik knik dan altijd gewoon netjes.
“Dat geloof ik,” zeg ik.

En dat meen ik ook.

Want wat mensen vaak vergeten, is dat dit moment voor een paard helemaal niet normaal is. Er staat ineens iemand bij hem die hij niet kent. Met spullen. Met geluid. Met aandacht. Dat is voor een paard net zo min normaal als voor ons een wortelkanaalbehandeling op een willekeurige dinsdagochtend.

Dan volgt vaak de volgende:

“Hij is gewoon een beetje eigenwijs.”

Ook zo’n mooie.

Eigenwijs klinkt vriendelijk. Bijna gezellig. Alsof het paard die ochtend zelf besloten heeft om vandaag even lastig te zijn. Maar terwijl iemand dat zegt, ben ik meestal al ergens anders mee bezig. Ik kijk naar de ogen, naar de hals, naar de spanning rond de mond, naar de manier waarop een paard zijn kaak vasthoudt of net iets te alert blijft in zijn lijf.

En dan denk ik vaak:
misschien is hij niet eigenwijs.
Misschien is hij gewoon duidelijk.

Soms komt er nog een derde achteraan:

“Hij moet er even doorheen.”

Die laat ik meestal eerst even hangen.

Niet omdat ik meteen wil corrigeren. Ook niet omdat die zin kwaad bedoeld is. Integendeel zelfs. Meestal komt hij voort uit onmacht, haast of gewoon uit het idee dat iets nou eenmaal moet gebeuren. Maar juist die zin zegt vaak meer over de situatie dan over het paard.

Dan zeg ik meestal iets luchtigs, zoiets als:
“Zullen we eerst eens kijken wat hij eigenlijk probeert te vertellen?”

En heel vaak is dát het moment waarop het gesprek verandert.

Soms hoor ik ook:

“Bij de vorige tandarts ging het altijd goed.”

Dat geloof ik ook best.

Maar dit is niet de vorige tandarts. Dit is een andere dag, een ander moment, een andere omgeving, een andere spanning — en dus ook gewoon een ander plaatje. Paarden leven niet in dossiers. Die leven in het nu.

En dan zijn er nog de uitspraken die iets stelliger klinken:

“Hij is bang voor mannen.”
“Hij is bang voor de tandarts.”
“Hij is bang voor alles eigenlijk.”

Dan maak ik er vaak eerst een grapje van.
“Ook voor de kleur blauw?”

En negen van de tien keer is het raak.

Dan wordt er verbaasd gekeken.
“Ja! Hoe weet jij dat?”

Dat weet ik niet altijd echt. Soms gok ik gewoon goed. Maar meestal zie je al vrij snel dat het niet om ‘alles’ gaat. En vaak ook niet eens echt om angst. Veel vaker gaat het om spanning. En spanning heeft bijna altijd een reden.

Terwijl die zinnen voorbij komen, doe ik ondertussen gewoon mijn werk. Ik kijk. Ik voel. Ik luister. Niet alleen naar het paard, maar ook naar wat er omheen gebeurt.

Want een paard reageert zelden alleen op wat ik doe. Hij reageert ook op de sfeer eromheen. Op de ademhaling van de eigenaar. Op de verwachting die al in de lucht hangt. Op de spanning die soms al aanwezig is voordat ik mijn spullen überhaupt heb uitgepakt.

En dat is misschien nog wel het mooiste van dit werk: hoe snel iets kan veranderen als de toon verandert.

Ik zie het vaak gebeuren.
Hoe luchtiger het gesprek wordt, hoe rustiger het paard staat.
Hoe minder er “moet”, hoe makkelijker het lijf meegeeft.
Hoe meer er gelachen wordt, hoe zachter vaak ook de spanning wordt.

Dat is geen toeval.

De meeste zinnen die ik op stal hoor, worden niet gezegd uit onwil. Ze komen meestal voort uit zorg. Of uit spanning. Of gewoon uit de behoefte om alvast iets te zeggen voordat er iets gebeurt. En dat snap ik heel goed.

Want laten we eerlijk zijn: niemand staat ’s ochtends op met het plan om zijn paard ongemakkelijk te maken. Mensen willen het meestal juist goed doen. Alleen weten ze soms even niet hoe. En dan komen dit soort zinnen vanzelf.

Het grappige is: paarden luisteren daar inhoudelijk helemaal niet naar. Die luisteren niet naar woorden. Die luisteren naar ademhaling, toon, timing en houding. Naar wat er ónder die woorden zit.

En soms, als alles eenmaal op z’n plek valt, hoor ik aan het eind nog zo’n laatste zin:

“Nou… dit ging eigenlijk heel goed.”

Dan glimlach ik altijd even.
“Ja,” zeg ik dan, “dat vond hij ook.”

Want vaak is het niet het paard dat moet veranderen.
En ook niet de eigenaar.

Het is de situatie die soms gewoon even anders mag.

Met wat meer rust.
Wat minder verwachting.
En af en toe een grapje tussendoor.

En voor wie het zich afvraagt:

nee — hij deed dit inderdaad normaal nooit.

Maar vandaag wel.